Na een succesvolle loopbaan als journalist wreef de gevreesde literatuurcriticus Peter Raub genoegzaam onder zijn ballen. Dat terwijl de verwachtingen die hij ooit gesteld had niet uit gekomen waren. De roman Der Mann ohne Eigenschaften van Robert Musil had hij gespeld en zag er een boodschap in. Voor Der Zauberberg van Thomas Mann ging hij niet opzij. Bij Michel Houellebecq raakte hij de draad kwijt. Het was niet eenvoudig de wellust van deze schrijver te plaatsen op een hoger plan. Uiteindelijk was zijn slotsom dat de man het publiek wist te bereiken.

Het vermogen van grote schrijvers te verhalen over luttele voorvallen in bewoordingen die ieders verbeelding te boven gingen toonde hem de weg die hij had te gaan. Hij wilde dat evenaren of zelfs overtreffen. Maar naarmate de tijd verstreek verbleekte het beeld van de grote belofte die hij van zichzelf had geschapen. Hij wilde niet toegeven dat de grote bezieling uit bleef, hij in een cirkeltje bleef ronddraaien en dat zijn kracht lag in het schoolmeesterdom, iets wat hij eerder als zwakte te kijk had gezet.

Daar kwam nog iets anders bij. Hij schiep dan wel geen grote verwachtingen, maar wist op gevatte toon de ander wel te kleineren als die zoiets in twijfel mocht trekken. Zijn geestesproducten bewaarde hij in een kistje. Hij geloofde altijd nog dat ze later van nut konden blijken. Onder hen die gelijke aspiraties koesterden had hij zich wel een positie weten te verwerven. Zo nu en dan kwamen zij bijeen om hun pennenvruchten te bespreken. Hij voerde daar het hoogste woord wat anderen vooral deed zwijgen. Onder hen was een jongeman die door iemand meegenomen was. Hij heette Miklos en deed zelden zijn mond open. Hij kon hem niet goed plaatsen.

Peter Raub was geslaagd als journalist zonder het grote doel uit het oog te verliezen. Het was een speling van het lot dat waarin hij uitblonk hem niet langer kon bekoren, misschien omdat hij het andere niet wist te bereiken. Zijn ziekelijke nieuwsgierigheid moest zijn geest op slot houden, hij kon niet nalaten tegels te lichten. Dat bleef toch zijn grote kracht, een neus voor zaken die het daglicht niet konden verdragen. Hij was op zijn hoede zijn bronnen prijs te geven. Hij kende een uitvinder die op de welkomstgroet ‘hoe maakt u het?’ steevast antwoordde ‘dat vertel ik u niet want dan maakt u het ook’.

Hij zat op dezelfde lijn. Hij had zijn fortuin gemaakt maar het knaagde. Het tekort wat hij najoeg viel steeds zwaarder. Hij was een broodschrijver geworden wat hij niet had willen zijn.

Miklos was de zoon van de Hongaarse cellist Tibor Alzner, tijdens de opstand in Boedapest in 1956 als baby met zijn moeder gevlucht. Miklos’ grootvader, Matyas Alzner, was secretaris van Imre Nagy en bevriend met Pal Maleter. De Hongaarse opstand hadden zij voorbereid. Het was een goed doordacht plan. De communistische partij konden ze uitschakelen, de politie en het leger op hun hand krijgen. Hun gok was dat het westen te hulp zou schieten, zou ingrijpen als de Sovjet Unie het waagde Hongarije binnen te vallen. De Navo raakte in hoogste graad van paraatheid.

Helaas voor Hongarije viel de opstand samen met een ander geopolitiek conflict, de Suez crisis. De Amerikanen werden erin meegezogen en durfden het verdrag van Potsdam, waarin tegen de zin van Churchill Stalin in Oost-Europa de vrije hand werd gelaten, niet te trotseren. Chroestsjev en Andropov zagen hun kans schoon de opstand neer te slaan, wetende dat het westen gebonden was aan het Suez conflict.

De gevolgen waren rampzalig. Russische tanks trokken Boedapest binnen, vermorzelden alles en iedereen. Een enorme vluchtelingenstroom kwam op gang. Politieke gevangenen, geleerden, schrijvers, kunstenaars, intellectuelen, hadden zich uit de gevangenis kunnen bevrijden, zij vluchtten naar het westen.

Ooit speelde Tibor Alzner in een Frans orkest waar hij Danielle ontmoet had. Miklos was hun enig kind. Later verhuisden ze naar Nederland waar Tibor in een provinciaal orkest kon spelen. Aanvankelijk leek Miklos in de voetstappen van zijn vader te treden en slaagde voor het conservatorium. Maar de pianostudie wilde niet lukken. Steeds vaker dacht hij aan het verhaal over zijn grootvader. Na de beruchte schijnprocessen was die door de Russische bezetter samen met Imre Nagy, Pal Maleter en anderen opgehangen. De muziek zei hem steeds minder.

Met zijn vader had hij gesprekken gehad over Hongarije. Die herinnerde zich daar weinig van. Hij was nog maar een baby toen ze hadden moeten vluchten. Miklos bezocht zijn grootmoeder in haar verzorgingstehuis en vroeg naar haar verleden. Die vertelde over haar man die ze na de opstand niet meer gezien en pas veel later vernomen had dat hij terecht gesteld was. De muziek haar had gered. In Nederland had ze onder haar meisjesnaam Franciska von Zboray pianoles gegeven en Tibor op het conservatorium gedaan.

Franciska keek Miklos droevig, wat meewarig aan. Met Tibor had zij er nooit over gepraat. Hij had nog een heel leven voor zich dat vrij moest blijven van het verdriet waar zij mee worstelde. Maar in Miklos zag zij iets van een wreker. Het gaf haar kracht. Zijn indringende vragen over de lynchpartijen op straat, waar het geknechte volk de verraders dood trapten, deden haar het verleden herleven. De haat was zo hevig, het was de bloedwraak van de gewone man op de giftige communistische terreur.

Toen het westen niet te hulp schoot was alles voor niets geweest. De schijnprocessen tegen de leiders van de revolutie, waaronder Matyas, Miklos’ grootvader, haalden het wereldnieuws. Maar het Hongaarse volk vergoot voor de zoveelste keer bittere tranen na de bijltjesdagen die Moskou verordonneerde en de hoop op genade ter ziele deed gaan.

Miklos kreeg van zijn grootmoeder het dagboek van zijn omgebrachte grootvader. Met de gedachten en de geest van haar geliefde man was het haar kostbaarste bezit. Dat had zij weten te verheimelijken en op haar vlucht mee kunnen nemen.

Het verhaalde over de Russische terreur, over de beraadslagingen met Imre Nagy, hoe keer op keer de staatskas geplunderd werd met schattingen door Moskou opgelegd en hoe de regering daar onderuit probeerde te komen. Met weemoed herinnerde de bevolking zich het Hongaarse leven van voor de oorlog, de boerenfolklore van het platteland, Boedapest een bruisende stad was van cultuur en wetenschap. De vrije markt was vernietigd en had plaats gemaakt voor ondoelmatig gebruik van wat de mensenhand vermag. De schaarse middelen kwamen vooral ten goede aan gunstelingen van Moskou. Het dagboek verhaalde over heimelijke beraadslagingen, hoe het verzet groeide. Over de vriendschappen die ontstonden in de strijd tegen de onderdrukking.

Op een dag bladerde de broodschrijver op internet de berichten door. Zijn oog viel op het volgende.

Aan onze landgenoot Miklos Alzner is in Frankrijk de prestigieuze Prix Goncourt toegekend voor zijn roman ‘Les rideaux fermés’. Het boek verhaalt een familiegeschiedenis voor en tijdens de Hongaarse opstand in 1956. De jury was unaniem in haar oordeel over het uitzonderlijke talent van de schrijver hoe de geest weer te geven van hen die leven onder de terreur, zij toch de kracht vinden zichzelf te blijven, een onderhuidse zuivere moraal weten te bewaren in een tijd waarin iedere dag de laatste kan zijn met de schamele hoop op een betere toekomst. De jonge auteur heeft kunnen putten uit het dagboek van zijn grootvader, Matyas Alzner, secretaris van de Hongaarse premier Imre Nagy die na de opstand door Moskou terecht gesteld werd.

De bevlogen schrijver was verbijsterd. Niemand had dit achter de stille zwijgzame Miklos gezocht. Hij ervoer het als een donderslag. Zijn wereldbeeld stortte ineen. Dit kon niet waar zijn. Het genie dat hij zichzelf toegedacht had werd hem ontnomen. Het was niet eerlijk. Miklos had zijn familiegeschiedenis in de schoot geworpen gekregen. En hij, de bevlogen schrijver, moest het doen met bloemkool en spruitjes van aardse bodem, waar de kruidenierslucht het zicht op iedere hartstocht benam. Nu wist hij waar die uit de lucht gevallen ontdekkingen vandaan kwamen. Het genie was alleen maar toeval. Zoals een koningskind dat op de troon gezet wordt.

Na de eerste verbijstering kwam hij weer wat bij zinnen. Zijn afgunst probeerde hij te compenseren met gespeelde neerbuigendheid. Wat als hij niet zo’n grootvader gehad had? Wat was zijn weerwoord? Wat kon hij doen? Een letterkundige speurtocht naar wat iets tot een succes maakt? Wie had Miklos achter de hand gehad om hem zo in de markt te zetten? Een puissant rijke investeerder?

Hijzelf als criticus had de macht een schrijver te kunnen maken en breken. Dat was zijn positie. Met die zekerheid voelde hij het gemis minder. Maar Miklos was hem ontglipt. Was het plagiaat, afkomstig uit de nalatenschap van een gestorven Hongaarse vluchteling?

Het lukte hem niet weer de draad te vinden waarmee hij zich zeker had gewaand. De jubelende woorden van de kritiek troffen hem iedere dag weer als zweepslagen dat niet wijken wilde maar waar hij met niemand over kon praten. Hoe kon hij die jonge snotneus nog onbevangen de les lezen? Hoe vaak had hij wel niet hem onderricht over stijlfiguren en wat niet al. De gevreesde criticus Peter Raub was het bestaansrecht ontnomen. Jarenlang had hij gezocht naar het ware dat alle andere boeken overbodig maakte. Deze wereld was niet langer zijn podium. Dat was altijd al in nevelen gehuld geweest, had zich er mee verguld dat hij nog niet scherp zag wat hij wilde zeggen.

Waarom had die gesjeesde conservatoriumstudent zijn pad moeten kruisen? Had die bij hem het crème de la crème willen ontdekken? Had hij maar zo’n familiegeschiedenis achter de hand gehad om het ingedutte volk te kunnen laten gluren naar wat zij nooit zouden meemaken, waar de commerciële jongens brood in zagen.

Die succesvolle jonge auteurs, het was hen in de schoot geworpen. Al jong en misbruikt, opgegroeid met de bijbel en toch je mond open gedaan, de prins op het witte paard is niet je ware, mijn moeder ging met de verkeerde, de zwangere stopnaald, het heelal hijgde als een zwangere vrouw. Wat een titels! En daar moest hij wat zinnigs over zeggen om de commerciële jongens het naar de zin te maken.

Op een dag vermelde een internet bericht dat de bekende journalist Peter Raub was gestorven. De postbode had aan de bel getrokken. Hij lag al een paar dagen dood in zijn huis. De gordijnen waren gesloten.