IN
DE BAN VAN DE TEGENSTANDER

door Hans Keilson

In de ban van de tegenstander door Hans Keilson is een
boek dat in Nederland ongeveer tien jaar geleden veel ophef veroorzaakte. Niet
zozeer vanwege de inhoud, wel omdat het over het hoofd was gezien. Het
mediacircus stortte zich erop met citaten uit The New York Times Book review en Time waarin men Keilson wilde toevoegen aan de lijst van ’s werelds
allerbeste schrijvers. Keilson was toen inmiddels al honderd jaar oud.

Het boek begint op een enigszins vergelijkbare manier als
de Max Havelaaar van Multatuli. Waar Sjaalmans om nog aan wat centen te komen
zijn manuscript aan de makelaar in koffie Batavus Droogstoppel probeert te
slijten, die het ziet als louter vodden papier, zo begint het boek van Keilson
met een pak papier met aantekeningen in het Duits, vol vlekken, gekreukeld,
uitgelopen inkt alsof het onder water heeft gelegen, in het bezit van een
Nederlandse advocaat, die het na de oorlog ter hand stelt aan een onbekende ik
figuur om het maar eens te lezen. Het moeten aantekeningen zijn van een jonge
joodse Duitser die probeert te begrijpen waarom zijn vijand (Hitler dus), die
hij B. noemt, het op hem voorzien heeft. Daar moet een reden voor zijn. Hij wil
niet aannemen dat zijn vijand iets zomaar doet en van ieder rede verstoken is.
Hij komt daarmee in aanvaring met zijn soortgenoten die een gesloten front
willen vormen tegen hun vijand.

Men kan het aantekeningen van een naïeveling beschouwen.
Mijn indruk is echter anders. De verteller beschrijft zijn vader als een
koorddanser met vele ambachten en ongelukken. Eerst werkzaam in een
horlogezaak, dan dansleraar, dan weer als chef de réception in een hotel waar hij
het slachtoffer van een wisseltruc zou zijn geweest, vervolgens eigenaar van
een stoffen- en modezaak. Uiteindelijk toch geslaagd in het leven als fotograaf
die met retouches en trucjes zijn clientèle tevreden hield. Diens jongste broer
was het verkeerde pad op gegaan. Zelf lichtte de verteller als jongen zijn
vriendje op door met een drukletterdoos postzegels te vervalsen. Als het uit komt
slaakt de vader de verzuchting ‘als het maar niet in de genen zit’.

Het boek beslaat vooral de herinneringen van de verteller
uit zijn vroegste jeugd, hij moet enig kind geweest zijn, waarin hij het
bestaan van zijn vijand verneemt uit de gesprekken tussen zijn ouders als hij ongewild
teveel hoort. Zijn vader is zwartgallig en krijgt het verwijt van zijn moeder
dat hij geen geloof heeft, vermaant hem omdat het kind er bij is. De moeder
gelooft dat alles in het reine komt maar de vader wordt boos om haar
vrouwengeloof. De mensen moeten er zelf voor zorgen dat ze niet overreden
worden. De moeder wordt pas echt bang en boos als ze denkt dat de vader spot
met die man daar boven.

Als jodenjongen wordt de verteller gepest en gemeden,
meent daardoor juist meer van zijn vijand te weten te komen. Maar zelfs zijn
beste vriend blijkt in de ban te zijn geraakt van de vijand. Die vertelt hem
het verhaal van de elanden die uitsterven als ze hun vijand, de wolven niet
meer hebben. In een kleine provinciestad in een hotel krijgt de verteller de
gelegenheid een redevoering van zijn vijand bij te wonen die zal spreken in de
hotelzaal. De verteller trekt zich echter terug in de gelagkamer waar hij alsnog
via een luidspreker de stem van de vijand hoort. Hij beschrijft dat als volgt:

Hij viel aan,
beschuldigde, bespotte, vernederde, sloeg naar links en naar rechts,
blindelings, weerlegde beweringen die niemand had geuit en wond zich daarbij
vreselijk op. De ander had niemand meer die voor hem sprak. Hij, die niet
bestond, werd doodgedrukt door de stem en aangezien hij zweeg, meende iedereen
dat hij ook werkelijk dood was.’

De verteller zinkt de moed in de schoenen maar blijft
zich verbazen over het spektakel.

‘Iets in deze
stem stond los van de man persoonlijk. Achter dit geschreeuw uit koele
hartstocht, achter deze grofheden die een geraffineerde, meedogenloze
instelling verrieden – daarachter klonk nog iets ander door! Een groot machtig
succes of een vervaarlijke ondergang?….Een kleine onaanzienlijke man,
gegrepen door iets wat sterker was dan hijzelf, praatte alsof hij bezig was
zichzelf te wurgen. Het was alsof hij tegen de verdoemenis stond. Een fakkel
flakkerde op een kruispunt. Hij moest kiezen. Het noodlot meldde zich. En wie
daarmee in aanraking kwam werd getekend. Maar hijzelf bleef klein, eerzuchtig,
een klerk die dolgraag een baas zou zijn geweest. Van tijd tot tijd, als het
vreemde, grotere in hem doorbrak en hem geheel in zijn macht kreeg, werd hij radeloos
en stond hij voor iets dat hij niet kon vatten. Het omvatte hem, maar hij
omvatte het niet. Wie was hij nu eigenlijk? Zonder ophouden stelde hij zich
deze vraag. Hij wist het niet. Op deze momenten werd hij voor zichzelf een
vreemde. Wat over hem kwam was het vreemde. Vaak dacht hij ook dat hij het zelf
was die over zich kwam. Op zulke ogenblikken waande hij zichzelf even groot en
machtig als een rivier. Dan begon hij te schreeuwen en te razen. Hij kon
zichzelf niet in bedwang houden en trad buiten zijn oevers. Maar hij begreep
het niet. Hij schreeuwde als een drenkeling die gered wil worden.

Deze passage vind ik het beste uit het boek. Het
beschrijft de onmacht van een waanzinnige. Daarom is een belangrijker
vraag dan wie de vijand eigenlijk wel was waarom zoveel verstandige mensen
achter hem aan liepen. Daar geeft de verteller geen antwoord op, gebiologeerd
door de persoon die hem in zijn greep had. Wie daar wel een antwoord op geeft
is Sebastian Haffner in zijn boek Kanttekeningen bij Hitler. Dat deze
waanzinnige aan de macht kwam berustte voor een groot deel op toeval, zoals
Haffner haarscherp analyseert.

Maar ook na deze ervaring blijft de verteller sceptisch zich
aan te sluiten bij zijn lotgenoten die een gesloten front willen vormen tegen
de vijand, wordt er van beticht geen verzet te willen plegen. Kortom de
verteller wil zich niet losmaken van de Duitse gemeenschap die achter de vijand
aanloopt.

Als de verteller in een warenhuis werkt komt hij in
aanraking met een jonge verkoopster in wie hij wel iets ziet. Bij haar thuis
ontmoet hij haar broer en drie anderen die langzaam maar zeker in geuren en
kleuren vertellen hoe ze een joodse begraafplaats hebben vernield. Dan komt de
verteller tot inkeer, waarschijnlijk mede door het meisje dat geen teken van
afkeuring heeft gegeven. Hij vlucht, laat zijn ouders achter in zijn
geboortehuis waaruit ze uiteindelijk worden opgehaald. Voor de verteller heeft de
vijand afgedaan. Zijn eerste verzetsdaad is het maken van een getrukeerde foto
van in elkaar geslagen mensen, in scène gezet, dat als krantenfoto de mensen
aan het denken moet zetten.

Tot dusverre in grote lijnen het boek. Er blijven een
aantal vragen. Wilde de schrijver met de aanvang en het einde van het boek,
wanneer de onbekende ik figuur na de voddige papieren te hebben gelezen, deze
terug geeft aan de advocaat en die hem vertelt dat de eigenaar als verzetsheld is
verraden vanwege een liefdesgeschiedenis maar zijn moordenaar heeft kunnen
doodschieten, verhullen dat het om de persoonlijke ervaringen van de jonge
Keilson zelf gaat?

Uit een authentiek autobiografisch boek van Keilson, onvertaald, weten we dat Keilson in Berlijn de leergang heilgymnastiek- en massage had
doorlopen. Op de achterflap van het hierboven besproken boek staat dat Keilson
in Berlijn medicijnen had gestudeerd. In het televisie-interview tien jaar
geleden schermde Keilson zichtbaar met zijn hoedanigheid als arts. Begin jaren
vijftig vestigde Keilson zich als psychiater te Bussum. Ondanks torenhoge rekeningen
wierpen zijn behandelingen weinig of geen resultaat af. Kinderen waren als de
dood voor hem. De nestor van de psychiatrie Sigmund Freud behandelde in een
klassieke casus prinses Marie van Oostenrijk voor vaginisme. Keilson had een
patiënt wiens vrouw aan hetzelfde leed. De trauma’s van de man, zijn patiënt, waren
voor ingewijden overduidelijk het gevolg van het probleem van de vrouw. Keilson
echter hield eindeloze sessies, schreef de ene rekening na de ander waarvoor
sommigen een hypotheek zouden hebben moeten afsluiten. Wist Keilson niet beter
of was het berekening? We weten het niet, maar nimmer heeft hij de vrouw
onderzocht, terwijl de aartsvader van de psychiatrie dat als eerste zou hebben gedaan.

Zo lijkt Keilson als psychiater ondeskundig.
Misschien was hij het ook niet, slechts gymnastiekleraar met een opleiding in
de heilgymnastiek- en massage, na de oorlog de erkenning als arts gekregen op
basis van duistere papieren. We weten het niet. Voor The New York Times Book review en Time was hij geslaagd als schrijver. Dat mag zo zijn, bij mij
blijft de indruk van een behendig manipuleerder die Wahrheit und Dichtung niet uit de weg ging.