Blog Image

Celeste Lupus

Over dit weblog

Celeste Lupus schrijft over: literatuur, politiek, filosofie, recht, economie en wetenschap.

Marnix Gijsen

Literatuur Posted on Sun, July 21, 2019 16:06:36

MARNIX GIJSEN en GERARD VAN HET REVE

Ik herinner mij de
Vlaamse schrijver Marnix Gijsen toen hem indertijd gevraagd werd wat hij vond
van het werk van Gerard van het Reve, niet Gerard Reve zoals u wellicht zult opmerken,
want toen noemde hij zich nog niet zo. Marnix Gijsen reageerde lichtelijk
verstoord dat men zijn mening vroeg. Hij mompelde iets wat erop neer kwam dat
hij weinig op had met dat ophemelen van de herenliefde. Alsof dat alles was
waar die zogenaamde volksschrijver zich mee bezig hield, alsof die tegendraadse
verlangens het walhalla op aarde zouden weerspiegelen. Ik parafraseer hier, afgaande
op mijn herinnering hoe die wereld van Gerard van het Reve op de erudiete Vlaamse
schrijver Marnix Gijsen destijds over kwam.

Als men de geschriften
van de laatste leest is het niet verwonderlijk dat hij zich weerspannig toonde
tegenover wat hij misschien zag als een gril, een modetrend om te koketteren
met wat door de goegemeente, waartegen Gerard van het Reve zich tegelijkertijd wilde
afzetten, als minder gevoeglijk, minder welkom zou worden gezien.

De leidraad in
het werk van Marnix Gijsen is hoe broos het anker is waarmee men zijn houvast
zoekt. In het geval van Marnix Gijsen is dat de vrouw die hij het liefst
aanbidt, maar soms verwenst omdat ze weigert te voldoen aan het beeld dat hij
voor ogen heeft, hij toch de afgrond ziet door zijn onmacht haar zuiverheid te
zien.

Marnix Gijsen is
het tegenovergestelde van Gerard van het Reve, die het kon hebben over ‘mijn
geleerde broer’, een professor in de Slavische talen. Als een studeerkamergeleerde
beziet Marnix Gijsen de wereld die niet beantwoordt aan het ideaalbeeld. Hem
rest slechts de gave van het woord dat te laten zien, waarbij hij wellicht gedacht
zal hebben aan de woorden van Gotthold Ephraim Lessing Die Suche nach der Wahrheit ist mehr wert als ihr Besitz.

En dan wordt hij
geconfronteerd met een verschijnsel dat in zijn ogen niet meer kan zijn als gelukzoekerij
zonder boodschap. Met een schrijver, als men hem zo noemen mag, die zich
verliest in spitsvondigheden, die half schrijft als halph, waarmee men in de
reclamewereld ver komt, maar het de gebreken verdoezelt waar een groot
schrijver aan moet voldoen. Want dat was toch wel de dwingende kant van de
vraag die hem gesteld werd, om het succes van zijn vakbroeder te verklaren, die
er een speeltje in zag heilige huisjes neer te halen wat zoveel geestdrift wekte.

Voor Marnix Gijsen
moeten het goedkope successen geweest zijn. Ik weet dat natuurlijk niet zeker, maar
ik denk het wel.



Les particules elementaires

Literatuur Posted on Sun, May 26, 2019 18:40:34

Het boek Les
particules elementaires
, in de Nederlandse vertaling Elementaire deeltjes, van Michel Houellebecq is een merkwaardig boek. Het beschrijft het
leven van twee halfbroers, Bruno Clément en Michel Djerzinski, die beide geen relatie kunnen opbouwen.
Bruno is leraar, trouwt met een collega Anne, die hem een zoon geeft voor wie
hij zich alleen financieel verantwoordelijk voelt, maar bij wie hij zijn seksuele
fantasieën niet kwijt kan. Na zijn scheiding gaat hij verder met Christine die
hij ontmoet had in een vakantiepark waar mannen en vrouwen op zoek waren naar seks.
Met Christine gaat hij naar parenclubs tot zij door een zwakke rug in een
rolstoel belandt, daarmee van de trap valt en sterft. Bruno belandt
uiteindelijk in een inrichting waar zijn seksuele verslaving onderdrukt wordt
met zware medicijnen. Michel wordt een wereldvermaarde celbioloog. In
tegenstelling tot Bruno, die gebukt gaat onder een weinig indrukwekkend
voorkomen met een te klein geslachtsapparaat, werd Michel in zijn jeugd, in het
plaatsje Crecy-en Brie, waar hij bij zijn grootmoeder woonde, aanbeden door de
beeldschone Annabelle Wilkening, een meisje van Friese komaf. Beheerst door zijn latere wetenschappelijk
werk laat hij Annabelle aan haar lot over. Op veertigjarige leeftijd ontmoet
hij haar weer in Crecy-en Brie, omdat het graf van zijn grootmoeder geruimd
moet worden en Annabelle daar is omdat haar vader was overleden. Annabelle,
veertig jaar oud, is nog steeds beeldschoon, heeft gewerkt bij de Franse
televisiezender TF1, is ondanks vele affaires en enkele abortussen nog steeds
ongetrouwd. Tussen beiden herleeft het verleden toen ze als kinderen met elkaar
speelden. Als Annabelle hem vraagt haar een kind te schenken stemt hij toe.
Maar Annabelle krijgt een miskraam, terwijl bij haar baarmoederhalskanker
vastgesteld wordt. Na haar crematie vertrekt Michel naar Schotland om te werken
aan het onderzoek naar het klonen van genen waardoor voor de biologische
evolutie de seksualiteit bijzaak zal worden.

De schrijver Houellebecq wil ons laten zien dat de geest
van de wetenschapper Michel beheerst wordt door een andere obsessie dan die van
Bruno, om langs wetenschappelijke weg achter het raadsel van het leven te komen.
Een wetenschapper geeft niet om macht, fortuin of eer. Voor hem geldt het onderzoek.
Zijn leermeester Desplechin houdt hem voor: het verstand, de rede gaat boven
alles en zal alles trotseren. Djerzinski wordt geraakt door de opstelling van
de natuurkunde tegenover de metafysica. In het boek komen de namen van Albert
Einstein, Niels Bohr en de positivist Auguste Comte voorbij. Het is onduidelijk
of Houellebecq zich echt een voorstelling van het gedachtegoed van deze
geleerden heeft kunnen maken of dat het aanstippen van hun werk dient als sfeertekening,
zoals de dichter Gerrit Achterberg in zijn gedichten kon spelen met wiskunde en
natuurkunde, zonder dat het hout sneed.

Het blijft gissen wat Houellebecq met zijn boek heeft
willen zeggen. De celbioloog Michel Djerzinski lijkt te zoeken naar het wezen van het
leven door elementaire deeltjes te bestuderen. Anders dan zijn halfbroer Bruno
blijven bij Michel de oerdriften onderworpen en ondergeschikt aan zijn geest. Hij
stelt de wetenschap boven alles als de enige bron tot het werkelijke inzicht in
het wezen der dingen.

Houellebecq gaat het uit de weg, maar die
deterministische benadering botst met verschijnselen als kunst en muziek, waar
het raadsel van de ontroering een rol speelt, een ervaring die men nimmer door
middel van een microscoop kan bereiken. Het is wel duidelijk dat Houellebecq
hiermee geworsteld heeft, ook met de vleselijke lust zelf.

Toch, bij het lezen van het boek kwam bij mij de controverse
naar boven zoals die verwoord werd door Albert Einstein in zijn artikel in Science
van 15 mei 1940, getiteld Considerations concerning
the fundaments of theoretical physics,
waarin hij schreef:

Some physicists,
among them myself, can not believe that we must abandon, actually and forever, the
idea of direct representation of physical reality in space and time; or that we
must accept the view that events in nature are analogous to a game of chance. It
is open to every man to choose the direction of his striving; and also every man
may draw comfort from Lessing’s fine saying, that the search for truth is more precious
than its possesion.



De Matthäus

Literatuur Posted on Mon, April 22, 2019 12:47:37

Dit paasweekeinde beluisterden wij de Matthäus-Passion
van Johann Sebastian Bach en wel een recentelijke versie van Reinbert de Leeuw,
ontvangen van een goede vriend, en een veel oudere versie van Nicolas
Harnoncourt uit mijn eigen bezit. Is er een verschil in beleving? Het is in
beide gevallen hetzelfde verhaal. In dramatiek doet het ene niet onder voor het
andere. Harnoncourt is wat gepolijster, ook authentieker met echte jongenssopranen.
Het belangrijkste verschil vond ik de Jezus vertolking. Bij Harnoncourt was dat
Karl Riddderbusch en bij Reinbert de Leeuw Andreas Wolf. Het is mij altijd een
raadsel geweest waarom Bach voor de stem van Jezus een bas liet klinken. Jezus stierf
toen hij ongeveer vijfendertig jaar oud was, een jonge man in de kracht van
zijn leven. Daar had een tenor bij gepast, voor zijn vurige momenten een
heldentenor en voor het overige een lyrische tenor.

Hoe dat ook zij, Karl Ridderbusch is onvergetelijk,
zonder afbreuk te doen aan de Jezus partij van Andreas Wolf in de versie van
Reinbert de Leeuw. Die laatste versie was ook kleinschaliger, intiemer, iets mathematischer.
Ooit hoorde ik een versie van een Japanner die zijn gehele leven aan het
project heeft gewijd. De kracht van Aziaten schijnt in de perfectie te liggen,
het oorspronkelijke vinden zij in het westen.

Na opnieuw het verklankte lijdensverhaal beluisterd te
hebben voelde ik mij weer gesterkt in de strijd tegen het geestelijk verval dat
ik door het nieuws dagelijks tot mij moet nemen.



DE KOPEREN TUIN van Simon Vestdijk

Literatuur Posted on Sat, March 02, 2019 17:56:04

In mijn jeugd heb ik verschillende boeken van Simon
Vestdijk gelezen, waarvan ik mij herinner: ‘De kelner en de levenden’, Ivoren
wachters’ en ‘De koperen tuin’. Zijn oeuvre is ontzagwekkend, ongeveer 200 boeken,
de waardering voor zijn werk wisselend. Over zijn boek ‘De schandalen’ schreef
Jan Spierdijk in De Telegraaf: ‘Het witte papier is de heer Vestdijk tot
schutting geworden’. De dichter Adriaan Roland Holst beschreef hem als ‘de man
die sneller schrijft dan God kan lezen’. Bij mij was er het beeld van iemand die
veel woorden nodig heeft om iets te zeggen. Hier wil ik stilstaan bij zijn boek
‘De koperen tuin’, door Simon Vestdijk zelf gekenmerkt als zijn beste werk.

Het boek begint met de ik figuur, een eigenwijs jongetje
dat zijn drie jaar oudere broer nogal belachelijk vindt. Alles speelt zich af begin
twintigste eeuw in W, waarmee Leeuwarden bedoeld zal zijn, waar zijn vader tot
rechter is benoemd, waar de ik figuur prat op gaat. Vrijgezelle notabelen van
de stad zijn min of meer heimelijk verliefd op zijn moeder. Hijzelf lijkt op haar,
zijn broer op zijn vader dertien jaar ouder dan zijn moeder, van wie hij zich geen
verliefdheid kan voorstellen. Op een mooie zomerse dag, zijn vader stuurt
ansichtkaarten uit Luxemburg, wat die daar doet blijft duister, wordt hij door
zijn moeder met haar vriendinnen in een landauer meegenomen naar de Tuin, een
park met kunstmatige heuvels, water- en rotspartijen. In de Tuin waarin vogelkooien
wordt hij door zijn moeder alleen gelaten om te spelen. Zijn zoektocht leidt
naar een heuvel. In de diepte ontwaart hij een houten muziekkapel waar een
koperorkest gereed zit om te spelen voor het publiek aan de andere kant van de
vijver waaronder zijn moeder met haar vriendinnen. Voor het houten hoofdgebouw dat
via een rustieke brug over waterpartijen naar de muziektent leidt ziet hij een
stoergebouwde zelfverzekerde man met een zwarte snor in een geklede jas, zich
vermakend met door volle dienstbladen weerloze dienstertjes, die hij kneepjes
in de arm geeft, wat op het jongetje indruk maakt. Hij wil naar hem toe. Hij
laat zich van de heuvel zakken, sluipt naar het hoofdgebouw. Met de Stars and Stripes van Sousa barst de
muziek los onder leiding van de stoere man, de dirigent. Het geschetter van
trompetten, trombones, fluiten, piccolo’s, klarinetten, saxofoons, begeleid
door xylofoon en Turkse trom, overweldigt het jongetje. Voor het hoofdgebouw
ziet hij een lang bleek meisje, gespannen starende naar de muziektent. Er
volgen meerdere stukken, als laatste stuk voor de pauze wordt op verzoek de Stars and Stripes van Sousa herhaald. De
herkenning van de muziek brengt het jochie in vervoering, hij stampt en danst
op de maat wat hilariteit wekt, wat hem nog meer aanzet. Dan wordt hij gegrepen
door het lange bleke meisje, een hoofd groter dan hij en ze beginnen te dansen.
Plots laat zij hem los, hem aan zijn lot overlatend. Zij ijlt naar de
muziektent, valt de dirigent om de hals, zij is zijn dochter.
Voor de ik figuur, Nol Rieske, het zoontje van de rechter
die later medicijnen gaat studeren, wordt of blijft het vier jaar oudere bleke
meisje, Trix Cuperus, zijn grote liefde, ook al wil zij niets van hem weten en
geeft zij zich af met vrijgezelle en getrouwde notabelen in het stadje. Als op
het einde van het boek zijn moeder, nog jong, op sterven ligt wil hij weg van
haar sterfbed, naar Trix, die dienster is geworden in de sociëteit in de Tuin.
Opeens haat hij zijn moeder die in de Tuin gekscheerde over die kleine jongen
van acht jaar, dansend met een meisje van twaalf jaar bijna volwassen, het dan later
had over ‘dat aardige Trixje van je’.
Met knikkende knieën begeeft hij zich naar de sociëteit,
waar hij bediend door Trix zich wil bedrinken. Zij schenkt hem wat in, maar
verdwijnt. Buiten in de tuin vindt hij haar terug. Wat volgt is een ontroerend
samenzijn, waarin hij haar herinnert aan hun dans vroeger in de Tuin waarover
zijn moeder zo had moeten lachen en Trix hem om vergeving vraagt voor haar
harteloosheid, maar zonder reden weer verdwijnt. Hij bedrinkt zich verder en de
volgende dag nog in een roes verneemt hij in het ziekenhuis het overlijden van
zijn moeder. De volgende dagen blijft hij zich bedrinken, bezoekt de minnaar
van Trix, Vellinga, om diens verhaal te horen, ook om verhaal te halen voor diens
aandeel in de zondeval van Trix. Hij onttrekt zich aan het rouwbeklag met de
familie, gaat naar Trix en vraagt haar ten huwelijk. Zij vertelt hem over haar
drankzuchtige vader, Henri Cuperus, de dirigent en pianoleraar van Nol Rieske,
door deze mateloos bewonderd, die schuldig zou zijn aan het verliezen van haar
onschuld, over Vellinga die zich aan haar had vergrepen, ook over andere
minnaars, Caspers, Dijkhuizen en Stienstra. Ze vraagt hem die nacht bij haar te
blijven wat hij fatsoenshalve weigert, vertrekt om de volgende ochtend haar
antwoord op zijn aanzoek te horen. Thuis vertelt hij zijn vader over zijn
huwelijksvoornemens, zich verontschuldigend voor zijn afwezigheid en om hem
voor te bereiden op het standsverschil met zijn verloofde. Hij fantaseert over controverses
welke zijn huwelijk kan oproepen en overweegt even het huwelijk uit te stellen,
wat hij overwint. Als hij de volgende ochtend bij Trix aanbelt vertelt haar
tante dat Trix zich die nacht met arsenicum het leven heeft benomen. Met de
beide komende begrafenissen van zijn moeder en Trix in zicht klampt hij zich
vast aan de tante, bezoekt Caspers, die hem meer bijzonderheden vertelt over
Trix, over diens vermoeden van haar liefde voor een onbekende waarvan hij nu
begrijpt dat die hem bezoekt. Nol Rieske fantaseert over de rekening en
verantwoording af te leggen door Stienstra en Dijkhuizen, wat hij laat voor wat
het is. Lopende naar de Tuin vormen zich gedachten over het hoe en waarom, waar
het allemaal begon.

In het boek zitten meerdere tegenstrijdigheden, waarvan
ik er twee wil noemen. Hierboven is vermeld, zoals ik dat uit het boek opmaak: ‘Opeens
haat hij zijn moeder die in de Tuin gekscheerde over die kleine jongen van acht
jaar, dansend met een meisje van twaalf jaar bijna volwassen, het dan later had
over ‘dat aardige Trixje van je’.’ Dit moet wel haast het thema zijn van het boek, een
moeder die haar zoon niet wil of kan begrijpen. Echter op blz. 227 van de mij ter beschikking staande
uitgave, 21e druk Salamander Klassiek, 2001, zegt de hoofdpersoon
Nol Rieske tegen zijn geliefde Trix Cuperus: ‘Mijn moeder heeft eens gezegd,
dat liefde, die in de kindertijd begint, en dan later tijdelijk vergeten wordt,
de machtigste is van alle liefdes.’’ Deze wijsheid verdraagt zich moeilijk met
de kortzichtigheid die hij zijn moeder later verwijt.
Ook de latere haat van Trix Cuperus tegen haar vader komt
min of meer uit de lucht vallen gelet op het begin van het boek, waarin zij na
haar dans met het jongetje Nol Rieske haar vader in de Tuin, na diens optreden
als dirigent, om de hals valt wat toch uit bewondering, verering moet zijn. Later
in het boek blijkt zij zich steeds tegen haar vader te keren, misschien om zijn
drankzucht, maar die bestond al toen zij hem in de Tuin om de hals viel. Ook overtuigt
de houding van Henri Cuperus tegenover Trix niet. Die zou zijn dochter verboden
hebben met Nol Rieske in zee te gaan omdat hij te jong was en zijn familie
daarvoor te trots zou zijn. Hier laat Henri Cuperus zich kennen als een benepen
man, wat strijdt met de wijze waarop Vestdijk hem neerzet, een hoogdravend iemand die op de jonge Nol Rieske overkomt als de kunstenaar die conventies aan zijn
laars lapt. Als zich in de geest van de grote man, die Henri Cuperus voor Nol
Rieske was, een dergelijke ommekeer zou hebben voltrokken biedt het boek, behalve het latere misprijzen van Trix, daarvoor niet echt een
aanwijzing, ook niet de door Nol Rieske’s moeder versmade bloemen, haar
aangeboden door Trix’ vader.
Zo doet de intrige rond de zondeval van Trix Cuperus hier
en daar gekunsteld aan, wat goedgemaakt moet worden met ingewikkelde zinnen,
waarover nagedacht moet worden om te begrijpen wat er staat, wat dan toch niet
echt tot diepere inzichten leidt. Hier en daar krijgt het boek, vooral in het
middengedeelte waar de voorbereiding en opvoering van de opera Carmen hilarisch, rocambolesk wordt besproken, met de overjarige Belgische zangeres Alice de Rato die de rol van Carmen voor haar rekening neemt, als zinnebeeld van lichtzinnigheid en verderf, het karakter van een ironische vertelling à la Godfried Bomans,
wat niet strookt met de pretentie van het werk, te weten de worsteling met conventies
die begin twintigste eeuw bestonden, zoals dat bijvoorbeeld het thema vormde
van het boek Klaaglied om Agnes van Marnix Gijssen.

Blijkens het naschrift van Maarten ’t Hart in de mij ter
beschikking staande editie wil deze in het boek meer zien dan Simon Vestdijk er
zelf in heeft willen leggen. De onbegrijpelijke zelfmoord van Trix zou verklaard
kunnen worden door de veronderstelling dat haar vader zich aan haar heeft vergrepen.
Ondanks de schroom voor een dergelijke
veronderstelling wordt daarom voor ’t Hart het boek nog indrukwekkender.
Ik begrijp de gedachtegang aldus dat de grootheid van het werk niet zozeer
bepaald wordt door wat er staat, maar wat men zich erbij kan fantaseren. Daar
zit wat in. Een boek moet inwerken op de verbeeldingskracht van de lezer.
Echter na het lezen van het boek kan ik mij de door ’t Hart geopperde
veronderstelling niet voorstellen. In het boek laat Trix Cuperus zich zien als
een meisje dat van wanten weet. Ook uit de biecht van Trix aan Nol Rieske blijkt iets
dergelijks niet, wat toch wel voor de hand zou hebben gelegen.
Anders dan de door ‘t Hart genoemde Johan van der Woude kan ik mij de zelfmoord van Trix Cuperus wel voorstellen.Zij was vier jaar ouder dan Nol Rieske. Zij begreep zijn liefde voor haar, maar ook dat hun huwelijk onmogelijk was, dat het hem met haar achtergrond te gronde zou richten. Zij was realistischer dan hij, wilde geen gebruik maken van de situatie, uit liefde voor hem.

Al mis ik het evenwicht zoals in boeken van door mij bewonderde
schrijvers als Tolstoj, Schnitzler en Walschap, de koperen tuin van Simon Vestdijk
blijft een zeer lezenswaardig boek, vooral door de gedetailleerde beschrijvingen
van situaties en personen, ook al doen deze wel erg barok aan.



Reisverhaal

Literatuur Posted on Mon, October 29, 2018 16:48:15

ADIOS SEVILLA

Na een ommekomst van vierenvijftig jaar was het weerzien
met Sevilla zoiets als met een schilderij. Als je de werkelijkheid ziet wat de
schilder heeft bezield valt het tegen. Voor mij was Sevilla de stad van de
flamenco. Die wordt daar nog steeds opgevoerd,
gespeeld, gezongen en gedanst. In kleine theatertjes door zangers, danseressen
onder begeleiding van een gitarist, om hartstochtelijk de folklore levend te houden.
De flamenco stamt uit de tijd van de armoede zonder uitzicht op een loket. Die
armoede las je af aan het broodmagere lijf. De flamenco was een uitvlucht uit
het troosteloze bestaan. Meer dan een uitvlucht, de geest verhief zich. Het was
ook de strijd van de vrouw, haar trots ondanks het bedrog, de ontrouw en het verval als het
haar ten deel viel. Met haar dans, haar blik, haar houding, het ritmisch
klappen (palmotear), het geroffel van de castagnetten, het voetenwerk (tacaneo)
deed zij aanbidders doen knielen. In de jaren vijftig zestig werd de
flamencozang gehoord op iedere hoek van de straat, met die arabische keelklank gezongen
door schoenpoetsertjes.

Dat zijn mijn herinneringen. Wij lieten ons brengen naar dat prachtige hotel
Madrid om in een steegje er vlak achter ons verblijf te zoeken bij een
herbergier die in zijn eentje herberg, restaurant en café dreef. Zijn kookgerij
stond in de gelagkamer achter het buffet waar hij borrelhapjes tapas bereidde
tot twaalf uur ’s nachts of later, als het niet de gerechten voor ontbijt, middagmaal
en avondeten waren. Slechts voor middagmaalmaal en avondeten was een kelner ingehuurd
om op te dienen. De laatste avond, de trein naar Granada vertrok de volgende
ochtend om zes uur, wilden wij om vijf uur gewekt worden. Geen probleem, ook
schoenen konden gepoetst worden als we die op de gang wilden zetten. Wie wekte
ons, wie had de schoenen gepoetst? Jawel, de rondborstige zwaar besnorde eigenaar
met slaap in zijn ogen, die zijn herberg dreef als zijn kostbaarste bezit.

Dat wilde ik terug zien. Mijn zoektocht begon bij hotel
Madrid dat mij vandaar verder zou helpen à
la recherche du temps perdu
. Er was inderdaad een hotel Madrid, in een
onooglijk steegje dat alle verwachting deed verdampen. Het echte Hotel Madrid,
dat legendarische hotel van vroeger waarover zoals later bleek in de annalen
met weemoed werd geschreven, was met de grond gelijk gemaakt om plaats gemaakt
te hebben voor een winkelcentrum als op de Lijnbaan in Rotterdam. Onze herberg
was natuurlijk ook onder de sloophamer gekomen.

Toch daar terug in Sevilla had ik nog een broodmagere zigeunervrouw
gezien, in een veelkleurige jurk tot op de voeten met een kind onder de arm, in
het voorbijgaan deksels van vuilnisemmers oplichtend. Ze zijn er nog steeds. Er
blijven daklozen die niet in het gareel willen lopen. Ze kiezen voor hun
vrijheid, al is dat voor de burgerman zo onbegrijpelijk.

Ik denk dan ook aan dat legendarische hotel Amicitia in
Leeuwarden, waar de schrijver Havank zo graag verbleef, onder de sloophamer gekomen om te verrijzen als een betonnen puist om
daarin geldzaken welig te laten tieren. Men schijnt spijt gekregen te hebben,
daar in Leeuwarden, wil het oude hotel Amicitia doen herrijzen, als het
misschien al niet gebeurd is.

Terugdenken aan Sevilla, nu een stad van luchtvaart-industrie
en toerisme, misschien zal daar ook zoiets gebeuren, zal er iets van de oude
glorie herrijzen. Al zal ik dat niet meer meemaken.



Pulp

Literatuur Posted on Sat, July 28, 2018 16:15:42

Het
einde van de roman

Op internet konden wij vernemen dat de kwaliteitskrant NRC
bij monde van haar recensente Elsbeth Etty bericht had over een boek van Hans
Dorresteijn dat ging over zijn echtscheiding. Hans Dorresteijn was er kapot van, want ‘die vrouw met het rode haar’ had bericht over ‘het einde van de roman’.
Na deze negatieve berichtgeving zou Dorresteijn dagenlang het huis niet meer
uit gedurfd hebben.

Het bevestigt de juistheid van mijn beslissing, al weer lang
geleden, het abonnement op die krant op te hebben moeten zeggen. Want tot
vervelens toe moest ik immer weer stuiten op boekrecensies die verkeerde verwachtingen wekten. De valse en doorzichtige
smoesjes waarom mijn eigen boeken niet voor recensie in aanmerking kwamen doorzag
ik pas later. Ik kon mij niet voorstellen dat het er niet eerlijk aan toe ging. Eerlijk, dat wil zeggen een boek de aandacht te geven die het
verdient. Eerlijk, om niet te verzwijgen dat er andere belangen spelen, die een
ieder wel kan raden maar waar de lezer van een kwaliteitskrant niet mee
gediend is en de krant in feite een speeltje wordt van handige jongens die
weten hoe pulp verkocht wordt. En die arme boekrecensent van de krant heeft
zich maar te voegen. Tot mij de schellen van de ogen vielen dus.

Net als andere op het eerste gezicht notabele beroepen die
een bedenkelijke kant kunnen laten zien doet de journalistiek hier dus niet voor
onder. Onbeduidende zaken worden uitvergroot. Belangwekkende zaken worden
verzwegen. De doofpot politiek beperkt zich niet tot de bedrijfstak die het wil
bestrijden.

Dit is het einde van de roman. Welk belang is met het uitvergroten
van een slecht boek gediend? Komt het maar zelden voor dat er een slecht boek
geschreven wordt? Het is als met die plasseks van die gewezen zangeres. Binnenshuis
verkneukelt Hans Dorresteijn zich er over niet aan de aandacht van die kwaliteitskrant
te zijn ontsnapt.



Boekbespreking

Literatuur Posted on Thu, July 05, 2018 12:47:23

IN
DE BAN VAN DE TEGENSTANDER

door Hans Keilson

In de ban van de tegenstander door Hans Keilson is een
boek dat in Nederland ongeveer tien jaar geleden veel ophef veroorzaakte. Niet
zozeer vanwege de inhoud, wel omdat het over het hoofd was gezien. Het
mediacircus stortte zich erop met citaten uit The New York Times Book review en Time waarin men Keilson wilde toevoegen aan de lijst van ’s werelds
allerbeste schrijvers. Keilson was toen inmiddels al honderd jaar oud.

Het boek begint op een enigszins vergelijkbare manier als
de Max Havelaaar van Multatuli. Waar Sjaalmans om nog aan wat centen te komen
zijn manuscript aan de makelaar in koffie Batavus Droogstoppel probeert te
slijten, die het ziet als louter vodden papier, zo begint het boek van Keilson
met een pak papier met aantekeningen in het Duits, vol vlekken, gekreukeld,
uitgelopen inkt alsof het onder water heeft gelegen, in het bezit van een
Nederlandse advocaat, die het na de oorlog ter hand stelt aan een onbekende ik
figuur om het maar eens te lezen. Het moeten aantekeningen zijn van een jonge
joodse Duitser die probeert te begrijpen waarom zijn vijand (Hitler dus), die
hij B. noemt, het op hem voorzien heeft. Daar moet een reden voor zijn. Hij wil
niet aannemen dat zijn vijand iets zomaar doet en van ieder rede verstoken is.
Hij komt daarmee in aanvaring met zijn soortgenoten die een gesloten front
willen vormen tegen hun vijand.

Men kan het aantekeningen van een naïeveling beschouwen.
Mijn indruk is echter anders. De verteller beschrijft zijn vader als een
koorddanser met vele ambachten en ongelukken. Eerst werkzaam in een
horlogezaak, dan dansleraar, dan weer als chef de réception in een hotel waar hij
het slachtoffer van een wisseltruc zou zijn geweest, vervolgens eigenaar van
een stoffen- en modezaak. Uiteindelijk toch geslaagd in het leven als fotograaf
die met retouches en trucjes zijn clientèle tevreden hield. Diens jongste broer
was het verkeerde pad op gegaan. Zelf lichtte de verteller als jongen zijn
vriendje op door met een drukletterdoos postzegels te vervalsen. Als het uit komt
slaakt de vader de verzuchting ‘als het maar niet in de genen zit’.

Het boek beslaat vooral de herinneringen van de verteller
uit zijn vroegste jeugd, hij moet enig kind geweest zijn, waarin hij het
bestaan van zijn vijand verneemt uit de gesprekken tussen zijn ouders als hij ongewild
teveel hoort. Zijn vader is zwartgallig en krijgt het verwijt van zijn moeder
dat hij geen geloof heeft, vermaant hem omdat het kind er bij is. De moeder
gelooft dat alles in het reine komt maar de vader wordt boos om haar
vrouwengeloof. De mensen moeten er zelf voor zorgen dat ze niet overreden
worden. De moeder wordt pas echt bang en boos als ze denkt dat de vader spot
met die man daar boven.

Als jodenjongen wordt de verteller gepest en gemeden,
meent daardoor juist meer van zijn vijand te weten te komen. Maar zelfs zijn
beste vriend blijkt in de ban te zijn geraakt van de vijand. Die vertelt hem
het verhaal van de elanden die uitsterven als ze hun vijand, de wolven niet
meer hebben. In een kleine provinciestad in een hotel krijgt de verteller de
gelegenheid een redevoering van zijn vijand bij te wonen die zal spreken in de
hotelzaal. De verteller trekt zich echter terug in de gelagkamer waar hij alsnog
via een luidspreker de stem van de vijand hoort. Hij beschrijft dat als volgt:

Hij viel aan,
beschuldigde, bespotte, vernederde, sloeg naar links en naar rechts,
blindelings, weerlegde beweringen die niemand had geuit en wond zich daarbij
vreselijk op. De ander had niemand meer die voor hem sprak. Hij, die niet
bestond, werd doodgedrukt door de stem en aangezien hij zweeg, meende iedereen
dat hij ook werkelijk dood was.’

De verteller zinkt de moed in de schoenen maar blijft
zich verbazen over het spektakel.

‘Iets in deze
stem stond los van de man persoonlijk. Achter dit geschreeuw uit koele
hartstocht, achter deze grofheden die een geraffineerde, meedogenloze
instelling verrieden – daarachter klonk nog iets ander door! Een groot machtig
succes of een vervaarlijke ondergang?….Een kleine onaanzienlijke man,
gegrepen door iets wat sterker was dan hijzelf, praatte alsof hij bezig was
zichzelf te wurgen. Het was alsof hij tegen de verdoemenis stond. Een fakkel
flakkerde op een kruispunt. Hij moest kiezen. Het noodlot meldde zich. En wie
daarmee in aanraking kwam werd getekend. Maar hijzelf bleef klein, eerzuchtig,
een klerk die dolgraag een baas zou zijn geweest. Van tijd tot tijd, als het
vreemde, grotere in hem doorbrak en hem geheel in zijn macht kreeg, werd hij radeloos
en stond hij voor iets dat hij niet kon vatten. Het omvatte hem, maar hij
omvatte het niet. Wie was hij nu eigenlijk? Zonder ophouden stelde hij zich
deze vraag. Hij wist het niet. Op deze momenten werd hij voor zichzelf een
vreemde. Wat over hem kwam was het vreemde. Vaak dacht hij ook dat hij het zelf
was die over zich kwam. Op zulke ogenblikken waande hij zichzelf even groot en
machtig als een rivier. Dan begon hij te schreeuwen en te razen. Hij kon
zichzelf niet in bedwang houden en trad buiten zijn oevers. Maar hij begreep
het niet. Hij schreeuwde als een drenkeling die gered wil worden.

Deze passage vind ik het beste uit het boek. Het
beschrijft de onmacht van een waanzinnige. Daarom is een belangrijker
vraag dan wie de vijand eigenlijk wel was waarom zoveel verstandige mensen
achter hem aan liepen. Daar geeft de verteller geen antwoord op, gebiologeerd
door de persoon die hem in zijn greep had. Wie daar wel een antwoord op geeft
is Sebastian Haffner in zijn boek Kanttekeningen bij Hitler. Dat deze
waanzinnige aan de macht kwam berustte voor een groot deel op toeval, zoals
Haffner haarscherp analyseert.

Maar ook na deze ervaring blijft de verteller sceptisch zich
aan te sluiten bij zijn lotgenoten die een gesloten front willen vormen tegen
de vijand, wordt er van beticht geen verzet te willen plegen. Kortom de
verteller wil zich niet losmaken van de Duitse gemeenschap die achter de vijand
aanloopt.

Als de verteller in een warenhuis werkt komt hij in
aanraking met een jonge verkoopster in wie hij wel iets ziet. Bij haar thuis
ontmoet hij haar broer en drie anderen die langzaam maar zeker in geuren en
kleuren vertellen hoe ze een joodse begraafplaats hebben vernield. Dan komt de
verteller tot inkeer, waarschijnlijk mede door het meisje dat geen teken van
afkeuring heeft gegeven. Hij vlucht, laat zijn ouders achter in zijn
geboortehuis waaruit ze uiteindelijk worden opgehaald. Voor de verteller heeft de
vijand afgedaan. Zijn eerste verzetsdaad is het maken van een getrukeerde foto
van in elkaar geslagen mensen, in scène gezet, dat als krantenfoto de mensen
aan het denken moet zetten.

Tot dusverre in grote lijnen het boek. Er blijven een
aantal vragen. Wilde de schrijver met de aanvang en het einde van het boek,
wanneer de onbekende ik figuur na de voddige papieren te hebben gelezen, deze
terug geeft aan de advocaat en die hem vertelt dat de eigenaar als verzetsheld is
verraden vanwege een liefdesgeschiedenis maar zijn moordenaar heeft kunnen
doodschieten, verhullen dat het om de persoonlijke ervaringen van de jonge
Keilson zelf gaat?

Uit een authentiek autobiografisch boek van Keilson, onvertaald, weten we dat Keilson in Berlijn de leergang heilgymnastiek- en massage had
doorlopen. Op de achterflap van het hierboven besproken boek staat dat Keilson
in Berlijn medicijnen had gestudeerd. In het televisie-interview tien jaar
geleden schermde Keilson zichtbaar met zijn hoedanigheid als arts. Begin jaren
vijftig vestigde Keilson zich als psychiater te Bussum. Ondanks torenhoge rekeningen
wierpen zijn behandelingen weinig of geen resultaat af. Kinderen waren als de
dood voor hem. De nestor van de psychiatrie Sigmund Freud behandelde in een
klassieke casus prinses Marie van Oostenrijk voor vaginisme. Keilson had een
patiënt wiens vrouw aan hetzelfde leed. De trauma’s van de man, zijn patiënt, waren
voor ingewijden overduidelijk het gevolg van het probleem van de vrouw. Keilson
echter hield eindeloze sessies, schreef de ene rekening na de ander waarvoor
sommigen een hypotheek zouden hebben moeten afsluiten. Wist Keilson niet beter
of was het berekening? We weten het niet, maar nimmer heeft hij de vrouw
onderzocht, terwijl de aartsvader van de psychiatrie dat als eerste zou hebben gedaan.

Zo lijkt Keilson als psychiater ondeskundig.
Misschien was hij het ook niet, slechts gymnastiekleraar met een opleiding in
de heilgymnastiek- en massage, na de oorlog de erkenning als arts gekregen op
basis van duistere papieren. We weten het niet. Voor The New York Times Book review en Time was hij geslaagd als schrijver. Dat mag zo zijn, bij mij
blijft de indruk van een behendig manipuleerder die Wahrheit und Dichtung niet uit de weg ging.



JOODSE GRAPPERIJ

Literatuur Posted on Wed, May 23, 2018 16:08:50

LIEDJE

Zag zo’n grappig liedje op teevee. Kwam me bekend voor.
Gelukkig kon ik nu wat verstaan. Zoiets als ‘Israel wint! Nee geen geintje. Boem
boem boem op Palestijntje. Joechei, joechei! Tranen schieten vol. De wereld gunt
ons lol!’

Toch leuk liedje. Die Israëlische ambassadeur was not
amused, heeft dus geen gevoel voor humor. Begrijp ik niet. Vroeger was het
leuker. Met die joodse grapperij is het niet meer wat het geweest is. Max Tailleur zou er wel
raad mee geweten hebben. ‘Bij oompje Adolf zaten we er warmpjes bij. Enkele
reis was gratis!’ Ik bedenk er ook één. ‘In een joodse winkel hoef je geen geld
te geven. Ze trekken het uit je vingers.’
Nee, het is tobben in de wereld. Van alles maken ze een punt. Hamas heeft dat
beter begrepen. Vanuit de achterhoede worden ze naar het prikkeldraad gedreven.
Geleerd van Frederik de Grote, die zijn soldaten het slagveld in joeg met de
leus ‘Hunde wollt ihr ewig leben!!’



Next »