Ooit bevond ik mij in Café Hamming aan het Reitdiep in Garnwerd in de provincie Groningen, waar ook ooit de dichteres Fritsie ten Harmsen van de Beek na een leven vol uitspattingen haar laatste toevluchtsoord had gevonden. Voor kenners een luisterrijke pleisterplaats voor varensgezellen op doortocht naar de Friese meren. Ik was er met een bevriend echtpaar en de sfeer op die zondagmiddag in de winter met een bleek zonnetje was door het nuttigen van een glaasje Beerenburg ronduit behaaglijk. Het was er redelijk vol. Op het tafeltje naast ons zat een aantrekkelijke jonge vrouw alleen. Deze ongerijmdheid had amper post kunnen vatten of een jonge man schoof voorzichtig bij haar aan. Gelet op de wijze waarop hij toenadering zocht moesten zij onbekenden voor elkaar zijn. Aan ons tafeltje stokte het gesprek. Een zekere spanning nam bezit van ons. Volgde er een afwijzing of gebeurde er iets anders? In het eerste geval speelt de vrouw de hoofdrol met een minachtende blik. Dat deed zich niet voor. De jongeman nam geretourneerd het heft in handen. Hij had zijn uiterlijk mee, een knappe zuiderling. Met vriendelijke gebaartjes plaatste hij nietszeggende opmerkingen om te verhullen waarvoor hij kwam. Of haar alleen zijn veroorzaakt werd door liefdesverdriet, wij weten het niet, wel dat bij haar de zon doorbrak, zij elkaar verliefd in de ogen zagen en zij spoedig erna samen vertrokken. Verbouwereerd bleven wij achter. Wie zou hem dat na doen? ‘Dat heeft die toch maar geflikt’ mompelde mijn mannelijke tafelegenoot met iets van afgunst in zijn stem. Ook de vrouwen in ons gezelschap konden een spoor van bewondering nauwelijks onderdrukken.

Deze herinnering ging door mij heen bij het lezen van het boek HET BOLWERK van de Zweedse schrijfster Matilda Gustavssson. Dat gaat over de schuinsmarcheerderij van Jean-Claude Arnault, een duistere Fransman, getrouwd met de dichteres Katarina Frostenson, voorzitster van de Zweedse Academie voor de uitreiking van de Nobelprijs voor literatuur. De journaliste Matilda Gustavssson was op zoek naar een Zweedse equivalent van het Me Too schandaal rondom Harvey Weinstein in de Verenigde Staten. Die vindt ze in de persoon van deze Fransman over wie achttien vrouwen getuigenissen zullen afleggen over verkrachting, aanranding. Het bijzondere van het boek vond ik de rol van de vrouw van deze schuinsmarcheerder, Katarina Frostenson. Die verdedigde haar man door dik en dun, hoewel ze zelf getuige was van zijn ontuchtige handelingen bij andere vrouwen, geheel tegen hun wil, en pleine compagnie. Ze heeft geprobeerd de affaire tegen haar man af te doen als een hetze berustende op verzinsels. Hoe komt zo’n vrouw ertoe koste wat kost de verschrikkelijke waarheid te verdringen? Ik kan dat alleen maar begrijpen vanuit haar gedrevenheid als dichteres. Wat ik uit het boek begrepen heb bestaat haar literaire werk uit droombeelden die weinig met de werkelijkheid te maken hebben. Zulke mensen leven op de wolken, verschaffen zichzelf een aureool voor wie geen wereldse wetten gelden. Wat zag zij in Jean-Claude Arnault, die schermde met hoedanigheden die onveranderd op drijfzand bleken te berusten? Hijzelf moet gebiologeerd zijn geweest door de macht die hij over haar en voor zolang het duurde ook over andere vrouwen kon uitoefenen.

De ziel van een vrouw is het grootste geheim dat wel nooit ontsluierd zal worden. Zelf vond ik dat de man er uitzag als een aap in gala naast een dame die model zou kunnen staan voor de vrouw van de bisschop in de film Fanny en Alexander van Ingmar Bergman. Het echtpaar had iets demonisch. Toch ben ik mij ervan bewust dat met deze kwalificatie er vrouwen zullen zijn die mij afgunst verwijten.