OPFLIKKERING

In de Aveyron in Frankrijk is het hartje winter, midden
januari. Elders is het ook winter, maar we zijn hier niet ver van Aurillac de
hoofdstad van het departement de Cantal, het armste deel van Frankrijk. Het is
daar steevast het aller-koudst als de teevee de weerkaart van Frankrijk toont. Het
is de plaats waar de vondeling Remi zijn rondreis begint met zijn beschermer
Vitalis, een zwerver die vroeger de beroemde Italiaanse zanger Carlo Balzani
was. Zo vertelt ons het beroemde boek Sans
Famille
van Hector Malot. Het verhaalt over een wereld die ons vreemd moet
zijn met een overheid die je van de wieg tot het graf verzorgt. Remi en Vitalis
echter leefden in de negentiende eeuw en probeerden als straatartiesten te
overleven.

Daar doet mij deze streek aan denken als het winter is.
Je ziet geen mens en het enige wat in je opkomt is te schuilen. Al is het er in
de zomer prachtig en zijn er ook wel toeristen, het biedt niet de oplossing
voor de weinige werkgelegenheid die er is. Voor de liefhebber van de
natuur is dat niet erg. Je moet je hier zelf vermaken en daar komen de meesten
niet op af.

En als men hier verkeert hartje winter is het troosteloos,
ondanks de herinnering aan de afgelopen zomer, het nog te lang duurt voordat in
de lente de damp zal optrekken en de oudjes hun botten kunnen warmen. In de
streek hier heeft de rivier de Lot niets lieflijks meer. Met de bruine
modderstroom die het meevoert, afgegleden van hellingen waar de rots geen
houvast meer biedt, jaagt het angst aan en verwacht je achter ieder gesteente,
na iedere kronkeling in de weg geen mensen maar spookgestalten, kobolden,
druïden, al naar gelang de mist het verkiest zich in een gedaante te vertonen.

Maar soms gebeurt er een klein wonder. In al deze
troosteloosheid en de teevee allang geen uitkomst meer bood was er een klein
berichtje over een voorstelling. Het zou gebeuren in de salle de fȇte, een vervallen feestzaaltje in het piepkleine dorpje
Grand Vabre waar alle vermakelijkheid was opgeschort tot het verre voorjaar. In
weinig feestelijke kledij kwam de schaarse bevolking er op af. Wie er optraden
was onbekend. Een programma was niet voorhanden. De verwarming stond nog aan,
maakte veel geraas en verspreidde een minder aangename lucht. Dat kon ook komen
door de wasem uit de jassen van de bezoekers vermengd met de geur van de
bezitter.

Het podium bood weinig opwekkends. De verhoging zou het
wel houden, maar dat was het wel zo’n beetje. Wat er ging gebeuren bleef gissen.
Zo nu en dan sloop door een triplex deur een schrale man met grijs piekhaar het
podium op, pakte een gitaar, snoof er aan alsof het een onderhoudsbeurt nodig
had, legde het weer neer alsof er niets mee te beginnen was.

Hij keurde de zaal met zo’n zestig mannen en vrouwen,
zich gedragende als op een huishoudbeurs, geen blik waardig. Hoe lang het nog
zou duren bleef ongewis, want in Frankrijk is het niet ongebruikelijk dat de
voorstelling een uur later begint.

Maar daar kwam dan toch van achter uit de zaal een madame aanlopen die het op haar manier gemaakt
leek te hebben. Ze klom wankele treedjes op naar de microfoon. Als présidente van de Association culture et patrimoine, de plaatselijke
gezelligheidsvereniging, gebruikte ze weinig woorden om Manu en Sylvain te
begroetten. Door het triplex deurtje was nu ook Manu tevoorschijn gekomen, die
oogde als conferencier voor de buurtvereniging. De kwartiermaker met het grijze
piekhaar moest Sylvain zijn.

Sylvain pakte de guitaar, begon er op te bonken wat
weinig goeds voorspelde. Maar dat duurde niet lang. Wat volgde was een ode aan
die veel te vroeg gestorven minnezanger. Manu was zichzelf, maar vooral Jacques
Brel alsof die was herrezen. Sylvain ontpopte zich als een rasmuzikant, tokkelde
swingende akkoorden, bruusk of zoetgevooisd al naar gelang de zang dat van hem
vroeg. Met zijn kleine accordeon vertolkte hij de melodielijn in het lied Port d’Amsterdam, een meeslepende wals
over de zelfkant in de haven, waar het leven weinig meer te bieden heeft dan het
zinnelijke genot. Zijn mondharmonica bezong de weemoed van de eenzame mens.

De hier en daar wat rauwe stem van Manu leende zich voor
de kreet van de mens die weinig goed kan doen, de verschoppeling die zich mooi
voor wil doen. Manu zong met de hartstocht alsof hij ze allemaal beweende.

Maar hij begon met het lied van de stervende, le moribond:

Adieu Emile, curé, Antoine, ma femme. C’est dur
de mourir au printemps tu sais. Je veux qu’on rit, qu’on danse, s’amuse comme
des fous.
Quand c’est qu’on me mettra dans le trou?

Vaarwel Emile,
pastoor, Antoine, mijn vrouw. Te vergaan in de lente, dat is hard weet je. Jullie
moeten lachen, dansen, als gekken te keer gaan. Wanneer ga ik in de kuil?

En daarna het lied les
bourgeois:

Le coeur bien au chaud, les yeux dans la bière,
chez la grosse Adrienne Montalant, avec l’ami Jo-jo, et avec l’ami Pierre,
Jo-jo se prenait pour Voltaire, Pierre pour Casanova, moi je me prenais pour
moi, et quand vers minuit passaient les notaires qui sortaient de l’Hotȇl ‘Des
Trois Faisans’, on leur montrait notr’cul et nonbonn’s manières en leur
chantant: les bourgeois c’est comme des cochons, plus ça devient vieux plus ça
devient bȇte.

Helemaal in de
stemming achter het bier, bij dikke Adrienne Montalant, met makkertjes Jo en
Pierre, al twintig jaar lang, Jo was niet minder dan Voltaire en Pierre als Casanova,
ik hield me groot, om middernacht kwamen de notarissen uit De Drie Fazanten,
wij lieten ze ons poepertje ruiken en zongen: brave burgers zijn varkens hoe
ouder hoe viezer.

Daarna les vieux:

Les vieux ne parlent plus, ne rȇvent plus, ne
meurent pas, ils s’endorment un jour, ils se tiennent la main, ils ont peur de
se perdre, et se perdre pourtant, celui des deux qui reste se retrouver en
enfer, vous les verrez peut-ȇtre, vous les verrez parfois en pluie et en
chagrin, en s’excusant déjà de n’ȇtre pas plus loin et fuir devant vous une
dernière fois, la pendule d’argent qui ronronne au salon, qui dit oui qui dit
non qui leur dit: J’attends.

De oudjes
praatten, dromen, sterven niet meer, ze slapen in op een dag, bang elkaar te
verliezen en dat gebeurt toch, hij of zij die er nog is komt in de hel, je hebt
ze gezien misschien, soms in traan en met verdriet, met de schuld er nog te
zijn, ze schuwen de zilveren pendule, die tikt in de salon en zegt ja, die tikt
en zegt neen, die tikt in de salon en hen zegt ‘ik wacht’.

Manu nam een rust om zich ter verontschuldigen voor
zoveel verdrietigheid. Sylvain steeg al improviserend boven zichzelf uit,
waarna Manu tot zichzelf kwam, de draad weer oppakte. Hij zong
het lied le plat pays:

Avec la mer du Nord pour dernier terrain vague,
et des vagues de dunes pour arrêter les vagues, avec le vent d’ouest écoutez le
tenir, le plat pays qui est le mien, avec des cathédrales pour unique montagnes
et de noir clochers comme mats de cocagne, avec un ciel si bas qu’un canal
s’est perdu, avec un ciel si gris qu’un canal s’est pendu, avec le vent du nord
qui vient s’écarteler, avec le vent du nord écoutez le craquer, le plat pays
est le mien, avec l’Italie qui descendrait l’Escaut, avec Frida la Blonde qui
devient Margot, quand le vent est au rire quand le vent est au blé, quand le
vent est sud écoutez le chanter, le plat pays qui est le mien.

Met de
Noordzee waar helemaal niets is, de golvende duinen om te strijden tegen de
golven, met de westenwind hoor hem tekeer gaan, met de kathedralen als bergen
en torens om te beklimmen, met hangende luchten zo laag dat het kanaal er in zinkt,
met grijze luchten dat een kanaal er in hangt, met de noordenwind die zich in
vieren deelt, hoor hem gieren, het vlakke land is van mij, van Italië tot de
Schelde, blonde Frida als Margot, als de
wind door het koren gaat, de zuidenwind hoor hem zingen, het vlakke
land is van mij.

Hier in deze zuidelijke
riviervallei met rotsen en hellingen klonk dit lied over het vlakke land als
een liefdesode aan een misdeeld kind. Het maakte diepe indruk. Zo ook het lied l’ivrogne :

Ami remplis mon verre, encore un et je vas, encore et je vais, non
je ne pleure pas, je chante et je suis gai, mais j’ai mal d’être mois, buvons à
ta santé, toi qui sais si bien dire qu’elle va revenir, tant pis si tu es
menteur, je serais saoul dans une heure, buvons aux jeunes filles, qu’il me
reste à aimer, buvons déjà aux filles que je vais faire pleurer, et tant pis
pour les fleurs, qu’elles me refuseront, je serai saoul dans une heure, buvons
à la putain, qui m’a tordu le cœur, buvons nuit après nuit, puisque je serai trop
laid pour la moindre Sylvie, buvons puisqu’il est l’heure, je serai bien dans
une heure, je serais sans espoir, ami rempli mon verre.

Vriend vul
mijn glas, nog één en ik zal gaan, nog één en ik ga, ik huil niet, ik zing en
ben vrolijk, maar ik ben niet helemaal mezelf, laat ons drinken op jouw
gezondheid, jij die het allemaal zo goed weet, ze zal terugkomen, als je liegt
het zou wat, ik ben bezopen over een uur, we drinken op de meisjes, die er nog
zijn waar ik van kan houden, we drinken alvast op de meisjes die me niet zien staan,
de bloemen die ze niet willen hebben, het zou wat, ik ben bezopen over een uur,
we drinken op het neuken, dat me zo aan het hart gaat, laat ons drinken
nachtenlang, ik ben te lelijk zelfs voor Sylvie, laten we drinken tot het tijd
is, ik zal niet weten wat te doen, vriend vul mijn glas nog eens.

Plotseling was het afgelopen. De aanwezigen hadden anderhalf uur lang ademloos
geluisterd, zonder enige nies of kuch. Manu en Sylvain waren er doorheen. Het
was niet anders. We keerden huiswaarts. Het weer was afschuwelijk. Geen mens
vertoonde zich op de weg. Maar na de liederen, de chansons van Jacques Brel, voelden
we ons hier minder verlaten.