Het boek Les
particules elementaires
, in de Nederlandse vertaling Elementaire deeltjes, van Michel Houellebecq is een merkwaardig boek. Het beschrijft het
leven van twee halfbroers, Bruno Clément en Michel Djerzinski, die beide geen relatie kunnen opbouwen.
Bruno is leraar, trouwt met een collega Anne, die hem een zoon geeft voor wie
hij zich alleen financieel verantwoordelijk voelt, maar bij wie hij zijn seksuele
fantasieën niet kwijt kan. Na zijn scheiding gaat hij verder met Christine die
hij ontmoet had in een vakantiepark waar mannen en vrouwen op zoek waren naar seks.
Met Christine gaat hij naar parenclubs tot zij door een zwakke rug in een
rolstoel belandt, daarmee van de trap valt en sterft. Bruno belandt
uiteindelijk in een inrichting waar zijn seksuele verslaving onderdrukt wordt
met zware medicijnen. Michel wordt een wereldvermaarde celbioloog. In
tegenstelling tot Bruno, die gebukt gaat onder een weinig indrukwekkend
voorkomen met een te klein geslachtsapparaat, werd Michel in zijn jeugd, in het
plaatsje Crecy-en Brie, waar hij bij zijn grootmoeder woonde, aanbeden door de
beeldschone Annabelle Wilkening, een meisje van Friese komaf. Beheerst door zijn latere wetenschappelijk
werk laat hij Annabelle aan haar lot over. Op veertigjarige leeftijd ontmoet
hij haar weer in Crecy-en Brie, omdat het graf van zijn grootmoeder geruimd
moet worden en Annabelle daar is omdat haar vader was overleden. Annabelle,
veertig jaar oud, is nog steeds beeldschoon, heeft gewerkt bij de Franse
televisiezender TF1, is ondanks vele affaires en enkele abortussen nog steeds
ongetrouwd. Tussen beiden herleeft het verleden toen ze als kinderen met elkaar
speelden. Als Annabelle hem vraagt haar een kind te schenken stemt hij toe.
Maar Annabelle krijgt een miskraam, terwijl bij haar baarmoederhalskanker
vastgesteld wordt. Na haar crematie vertrekt Michel naar Schotland om te werken
aan het onderzoek naar het klonen van genen waardoor voor de biologische
evolutie de seksualiteit bijzaak zal worden.

De schrijver Houellebecq wil ons laten zien dat de geest
van de wetenschapper Michel beheerst wordt door een andere obsessie dan die van
Bruno, om langs wetenschappelijke weg achter het raadsel van het leven te komen.
Een wetenschapper geeft niet om macht, fortuin of eer. Voor hem geldt het onderzoek.
Zijn leermeester Desplechin houdt hem voor: het verstand, de rede gaat boven
alles en zal alles trotseren. Djerzinski wordt geraakt door de opstelling van
de natuurkunde tegenover de metafysica. In het boek komen de namen van Albert
Einstein, Niels Bohr en de positivist Auguste Comte voorbij. Het is onduidelijk
of Houellebecq zich echt een voorstelling van het gedachtegoed van deze
geleerden heeft kunnen maken of dat het aanstippen van hun werk dient als sfeertekening,
zoals de dichter Gerrit Achterberg in zijn gedichten kon spelen met wiskunde en
natuurkunde, zonder dat het hout sneed.

Het blijft gissen wat Houellebecq met zijn boek heeft
willen zeggen. De celbioloog Michel Djerzinski lijkt te zoeken naar het wezen van het
leven door elementaire deeltjes te bestuderen. Anders dan zijn halfbroer Bruno
blijven bij Michel de oerdriften onderworpen en ondergeschikt aan zijn geest. Hij
stelt de wetenschap boven alles als de enige bron tot het werkelijke inzicht in
het wezen der dingen.

Houellebecq gaat het uit de weg, maar die
deterministische benadering botst met verschijnselen als kunst en muziek, waar
het raadsel van de ontroering een rol speelt, een ervaring die men nimmer door
middel van een microscoop kan bereiken. Het is wel duidelijk dat Houellebecq
hiermee geworsteld heeft, ook met de vleselijke lust zelf.

Toch, bij het lezen van het boek kwam bij mij de controverse
naar boven zoals die verwoord werd door Albert Einstein in zijn artikel in Science
van 15 mei 1940, getiteld Considerations concerning
the fundaments of theoretical physics,
waarin hij schreef:

Some physicists,
among them myself, can not believe that we must abandon, actually and forever, the
idea of direct representation of physical reality in space and time; or that we
must accept the view that events in nature are analogous to a game of chance. It
is open to every man to choose the direction of his striving; and also every man
may draw comfort from Lessing’s fine saying, that the search for truth is more precious
than its possesion.