Blog Image

Celeste Lupus

Over dit weblog

Celeste Lupus schrijft over: literatuur, politiek, filosofie, recht, economie en wetenschap.

Lafheid

Recht Posted on Tue, May 19, 2015 13:01:40

DE BANGE NEDERLANDER

Herman Vuysje vraagt zich in NRC DEWEEK van maandag 11
mei 2015 af waarom de Nederlander wegkijkt als een conducteur in de trein wordt
aangevallen. Dat is vreemd want hij geeft zelf het antwoord in de verklaring
van Gerard Spong. Die verdedigt het wegkijken met een magistraal pleidooi: “Daar
zijn instanties voor”. Zo zit dat dus in elkaar. Voor elk ongemak is een loket,
een instantie. Persoonlijk initiatief, verantwoordelijkheidsgevoel wordt zo al
snel een vergrijp. Vroeger hadden brutalen de halve wereld. Door die instanties
veel meer. Het is een vreemde paradox. Dit is geen tautologie of pleonasme. Onze
democratie waarborgt de vrijheid door haar aan te tasten. Alles omwille van de
vrijheid. Het lijkt op die andere vrijheid die is ontaard in het communisme. Alles
kan ook verklaard worden. De Nederlandse blauwhelmen in Srebrenica hadden het
niet gedaan. Het was de politiek, de verkeerde opdracht, de te lichte
bewapening. Kortom, ze hoefden daarginds alleen maar het verkeer te regelen.

Is er iets anders te verwachten? Ik vrees van niet. Als
de mensen opgevoed worden in het geloof van Gerard Spong zal de verruwing steeds
meer om zich heen grijpen. Ik heb er zelf ook geen oplossing voor. Herman
Vuysje ook niet. Sterker nog, zonder in
een precaire situatie te verkeren krijg ik al angstvisioenen voor het geval dat
zoiets wel gebeurd. Zal ikzelf ook wegkijken? Alhoewel ik me blijf voorhouden
me met doodsverachting in de strijd te gooien is de kans zeer wel aanwezig.
Lafheid bestaat niet meer. Het is een grondrecht geworden.



Godsdienst

Recht Posted on Sun, November 23, 2014 16:54:06

GODSDIENST ALS GRONDRECHT

In het televisieprogramma Pauw op vrijdag 21 november
2014 werden passages voorgelezen uit drie boeken, waarin aangezet werd tot haat
en moord. Dat waren de volgende boeken:

1. Mein Kampf van Adolf Hitler

2. de Bijbel

3. de Koran.

Er was ook een tweede kamerlid van de Christen Unie te
gast. Die ontkende het haatzaaiende karakter van de bijbel. Hij stoelde dat op
zijn interpretatie van het boek. Peter R. de Vries, ook te gast, wanneer is die
er niet, merkte daarover op dat er in de Verenigde Staten, dat puriteinse
bijbelvaste land, wel honderd miljoen gelovigen rondliepen die de bijbel op de
letter geloofden en dus ook die over het afslachten van de vijand.

De grondwet
schrijft vrijheid van godsdienst voor. Maar wat is een godsdienst en wie maakt
dat uit?

In de jaren zeventig was er op de Wallen een Satanskerk
die aanspraak maakte op de belastingvrijstellingen zoals ook andere
kerkgenootschappen die genoten. De rechter verwierp dat omdat de Satanskerk
geen echt kerkgenootschap zou zijn. Hij hanteerde daarvoor het leerstuk schijn
en wezen. Waarschijnlijk had de rechter gelijk.

In de roman La
vengeance d’Esther
van Paul-Loup Sulitzer echter komt een hoofdstuk voor
waarin iemand langs de deuren gaat en aan eenzame oude dames stukjes in de
hemel verkoopt voor geld. Als oplichter wordt hij vervolgd, maar door
het magistrale pleidooi van zijn advocaat vrijgesproken. Die had aangetoond dat
de gevestigde kerk hetzelfde doet. En inderdaad, ook voor ons valt dat met de
enorme rijkdom van de katholieke kerk goed te begrijpen.

Wat wij hiervan kunnen leren is dat een kerkgemeenschap
een afspiegeling vormt van de gewone maatschappij, waarin altruïsme
en hebzucht hand in hand gaan. Maar ook dat godsdienst geen waarborg is voor altruïsme.
Sterker nog, altruïsme wordt gebruikt als middel om de juistheid van
dogma’s te verkondigen. Het is een verweermiddel. De kerk is altruïstisch, nou
dan, wat wil je nog meer? De bedoelingen zijn zuiver.

Maar over dat laatste valt wel wat te zeggen als we naar
de geschiedenis kijken. Daar ging het vooral om de dogma’s. En die dogma’s
hebben in wezen geen ander doel dan het uitoefenen van macht zoals ook een
dictator dat nastreeft. In feite gebruikt een notoire dictator dezelfde
middelen. Die neemt ook kinderen op schoot en laat de gemeenschap geloven dat
harde maatregelen er zijn om de mensen tegen zichzelf te beschermen.

Hoe, waarom en wanneer wordt men machthebber? Een
vreedzame burger kan die altijd te misbruiken macht natuurlijk alleen maar
toevertrouwen aan hen die macht zien als middel om die vreedzame samenleving
te bevorderen. Toch, velen staan er niet bij stil dat godsdienst anders in
elkaar zit. Een godsdienst is niet democratisch. Sommige godsdiensten,
opgekomen na de reformatie, hebben geprobeerd dat te benaderen. Maar het valt
op dat men al snel in de oude fout vervalt. De film Fanny en Alexander van
Ingmar Bergman getuigt daarvan.

Dat is ook niet verwonderlijk. Godsdienst, geloof is een
uitnodiging om je vrije wil, je kritische vermogen los te laten. En dat heeft
voor hen die over weinig kritisch vermogen beschikken aantrekkelijke kanten,
want het biedt zekerheid die er eerst niet was. Een schijnzekerheid misschien, maar dat is dan tegen dovemansoren gezegd.

Hoe zit het nu met hen in de kerk die wel over kritisch
vermogen beschikken? Ook die laten dat los om geheel andere redenen.
Voor hen is de kerk een instituut, een gemeenschap waarin men een functie
bekleedt. En als dat niet zo is dan toch om zichzelf een houding van
rechtschapenheid te kunnen geven. Zonder naar de kerk te gaan kan dat ook,
maar in de kerk valt het meer op.

Er is meer. Ik heb eens een tienjarige jongen meegemaakt
die nog aan Sinterklaas geloofde. Aan zijn verstand lag het niet, maar waar
andere kinderen op zesjarige leeftijd begonnen te mopperen dat ze voor de gek
gehouden werden hield hij wijselijk zijn mond. Toen hem werd
voorgehouden dat het afgelopen was met die flauwekul zag hij dat als een
aantasting van zijn rechten, in zijn geval de kadootjes. Eigenlijk
is dat met die weldenkende mensen in de kerk ook zo. Voor hen kan de waarheid
niet de vrije loop gelaten worden, want die gaat zich tegen je keren, er wordt
wat van je afgenomen.

Paus Franciscus begint nu aan wat dogma’s
te sleutelen. Dat bevestigt de gedachte dat het vooral om de macht gaat.
Anders was dat al veel eerder gebeurd. Dat dat nu
toch gebeurt, veel te laat, bevestigt ook dat het gaat om de macht. Want die zal men
gaan verliezen als er niets gebeurt.

Terug naar het uitgangspunt in onze grondwet die vooral
democratisch wil zijn en daarom vrijheid van godsdienst als een grondrecht noemt.
Hoe kan men nu die democratie bevorderen met een dergelijk ondemocratisch
instituut? Rechtsgeleerden zullen betogen dat het allemaal wel meevalt. Volgens artikel 6 van de grondwet is godsdienstbelijdenis gebonden aan de grens
dat het moet vallen binnen ieders wettelijke verantwoordelijkheid. Kortom de
wet gaat boven een kerkelijk dogma.

Toch wringt hier iets. Een democratische ordening ziet
erop dat men iemand ter verantwoording kan roepen. Nu hebben wij te maken met
geschriften die dienen als basis voor godsdiensten die zonneklaar in strijd
zijn met onze democratie. En nu kan die mijnheer van de Christen Unie wel
roepen dat het allemaal niet zo bedoeld is, ja dat haalt je de koekoek. De
Nederlander wordt geacht de wet te kennen. Gelooft u het? Als dat net zo is als
met dat andere geloof kunnen we de vergadering sluiten maar ik hoop toch op
wat meer begrip. Om er geen misverstand over te laten bestaan,
voor de gelovige gaan de woorden in de kerk boven alles.

Al met al brengt mij dat op de gedachte dat die vrijheid
van godsdienst als grondrecht toch niet zo’n goed idee is. Waarom hebben wij
dat nodig in een tijd waarin godsdiensten als culturen moeten worden
gezien en voor het overige het verschil tussen geloof en bijgeloof
ongeloofwaardig is geworden?

Vrijheid van levensovertuiging, vereniging en vergadering
lijkt mij voldoende, met de toevoeging binnen ieders wettelijke
verantwoordelijkheid.



Recht of slecht

Recht Posted on Fri, October 24, 2014 13:22:24

LOUCHE ADVOCAAT

Volgens Peter R. de Vries is dit een pleonasme. Hij zei
dit in het tv programma PAUW eergisteren, waar ook de advocaat Hiddema was
uitgenodigd. Die beklaagde zich bij de rechter dat hij in een cartoon is
uitgebeeld onder een bordje met daarop de tekst ‘louche advocaat’. Aan het eind
van de uitzending ontkende Peter R. de Vries dat hij dat gezegd had. Dat was
niet waar, maar het kan gezien worden als een slip of the tongue. Dat neemt niet weg dat er iets aan de hand is.
Een slip of the tongue is vaak een
gedachte die beter niet gezegd kan worden. Het kan ook een verkeerde gedachte
zijn, een opwelling die rechtgezet moet worden. In mijn eigen ervaring is het
in de volksmond inderdaad een pleonasme. Ik werd eens voorgesteld aan een
hoogleraar in de infrastructuur die grote gemeenten voorschreef hoe ze hun stad
moesten indelen. Hij vroeg naar mijn beroep en ik zei ‘advocaat’. Verschrikt
stapte hij een meter achteruit.

Nu beklaagt de advocaat Hiddema zich bij de rechter dat
hij in een cartoon is uitgebeeld onder een bordje met daarop ‘louche advocaat’.
Volgens Hiddema kan dit niet gerechtvaardigd worden met de vrijheid van
meningsuiting omdat zijn clientèle daarmee in diskrediet gebracht zou worden. Onderwijl
probeerde hij in het programma tersluiks aandacht te vragen voor zijn nieuwe boek, wat helaas verhinderd werd. Daarvoor was hij niet uitgenodigd. Aan de orde was immers de kroongetuige Fred Ros,
een crimineel die voor dertig jaar vast zit, maar die in de strategie van het
openbaar ministerie bij de opsporing van een aantal moorden de waarheidsvinding
kan dienen, omdat anders zijn strafvermindering niet doorgaat. Volgens Peter
R. de Vries was dat geen valide argument, want het openbaar ministerie
veronachtzaamde dat hij met zijn verklaringen de verdachten valselijk zou
kunnen beschuldigen. Het openbaar ministerie zou alleen maar aan zijn eigen
belang denken. Peter R. de Vries doelde kennelijk op crimefighters die het niet
kunnen verkroppen dat moordenaars vrij blijven rondlopen en daarbij grenzen overschrijden.

De kernvraag bij dit alles is of rechtsregels die
geschreven zijn voor de zogenaamde beschaafde gemeenschap ook gelden in de
strijd tussen criminelen zelf. Er was eens een vonnis of een arrest over een
beroep op dwaling om een overeenkomst tussen criminelen vernietigd te krijgen. Ik
herinner mij niet meer de uitkomst, maar wel de machteloze commentaren van
rechtsgeleerden. Had het allemaal wel zin? Natuurlijk, ook boeven hebben
rechten, alleen geef je ze die dan worden ze misbruikt. Ja en wat dan?

Een soortgelijke sfeer hangt ook boven advocaten als
Hiddema. In een vraaggesprek met de krant (nrcdeweek maandag 29 september 2014)
zegt Hiddema: “Ik ben als advocaat regelmatig zeer onmaatschappelijk
bezig…..Als ik iemand die levensgevaar oplevert op een vormfout vrij krijg,
dan is ook voor mij de vraag ‘hoe rechtvaardig ik dat voor mijzelf’…..” En
hij beantwoordt die vraag dan met “Dat ik er zoveel lol aan beleef. Puur aan
het ambachtelijke. Op zo’n moment geeft je beroepstrots gewoon de doorslag. Dan
kun je zeggen: ‘en nu loopt er dus een moordenaar los’. Dat is zo. Maar ja, zo
is het leven. Er kan morgen ook een dakpan op zijn kop vallen. Het bestaan is
nu eenmaal geplaveid met tegenslag en pech. Daar kan dit dan ook nog wel bij.”

In dit licht moeten wij de klacht van Hiddema tegen de
cartoonist zien, die hem als louche advocaat neerzet. Hiddema vindt zichzelf niet
louche, maar erkent onmaatschappelijk bezig te zijn. Het is een soort
eerlijkheid als in de film Viridiana van Luis Bunuel, waarin een blinde
zigeuner vertelt over zijn aanhouding wegens het lichten van het offerblok in
de kerk. Om een veroordeling te ontlopen had hij zijn kompaan aangegeven. Trots
vertelt hij dat de rechter hem had geprezen om zijn burgerlijk plichtsbesef.

Zelf herinner ik mij de vermaarde strafpleiter mr M.H.
Huygens die in de jaren vijftig de Berkelse arts Opdam wegens moord op zijn
vrouw bijstond, die zelf ook een tijdlang in hechtenis had gezeten. In de Groene Amsterdammer betoogde Martin van Amerongen ooit dat
hij betwijfelt of dit soort advocaten wel de waarheid spreken. Zelf sprak ik eens
met de gewezen buurman van deze mr Huygens ergens in de buurt van de
Wassenaarseweg in Den Haag. Volgens die buurman was het bij Huygens altijd tot
diep in de nacht een voortdurende herrie met luide muziek, beschonken mannen en
vrouwen van verdacht allooi liepen in en uit. Ooit sprak mijn vader met de officier van justitie mr
Gelinck, die voor het openbaar ministerie het proces tegen de Berkelse arts O.
voerde. Mr Gelinck had de mond vol over de gewiekstheid van mr Huygens, die
iedereen op het verkeerde been kon zetten.

Ik kom er niet om heen wat persoonlijk indrukken
over de advocaat Hiddema weer te geven, zoals hij daar op de buis zijn zaakjes
bepleitte. Een schilderachtige figuur, een geraffineerde ijdeltuit, het hoofd glimmend
van het vet met het vermoeden dat de haardos betere dagen heeft gekend,
de kleding, het jasje, de schoenen die aan de gang naar bepaalde etablissementen doen denken. De bestudeerde blik met het verst uitgezakte ooglid ter linkerzijde
van het gelaat, de suggestie alles onder controle te hebben. Kortom de imitatie van een bepaald soort Siciliaan.
Bij diens klacht tegen het woord louche kon de in deze sector goed ingelichte Peter
R. de Vries een glimlach niet onderdrukken.

In wat voor wondere wereld leven wij toch, waar mens en
karikatuur zo met elkaar lijken samen te vallen.



Openbaar ministerie

Recht Posted on Fri, October 10, 2014 15:27:13

VERVOLGING WILDERS

In het tv programma Nieuwsuur van donderdag 9 oktober
2014 werd aan een strafrechtdeskundige de vraag gesteld of de oproep van
Wilders minder Marokkanen in Den Haag te willen haatzaaien was dat door het
strafrecht is verboden. De deskundige vond van wel. Wilders was de vorige keer
dan wel vrijgesproken, maar hij viel toen de religie aan en nu een groep
Nederlanders van Marokkaanse afkomst. Wat de deskundige betreft was een
veroordeling te verwachten. Zo heb ik het tenminste begrepen.

Het is te hopen dat de rechter Wilders vrij spreekt.
Zonder de handel en wandel van Wilders te onderschrijven zal het duidelijk zijn
dat onze samenleving op een gevaarlijk hellend vlak is geraakt. Politici en wat
niet al hebben de mond vol van onze rechtsstaat. Dat is een groot goed, maar
het moet wel begrepen worden.

Het lijkt zo edel haatzaaien te verbieden. Het probleem
is alleen dat we altijd zullen leven in een wereld waarin veel mensen een hekel
aan anderen hebben. Het publiekelijk kenbaar maken van dat ongenoegen kan in
het verkeerde keelgat schieten. Bij de beoordeling of dat aanstoot geeft en
vervolgd moet worden telt voor het openbaar ministerie of daardoor maatschappelijke
ontwrichting ontstaat, die dan door straf hersteld moet worden.

En het is die leidraad, de maatschappelijke ontwrichting,
die in het geval Wilders roet in het eten gooit. Tenminste in mijn ogen en ik
hoop ook in die van de rechter. Want de eerste vraag is of er door de uitlating
van Wilders maatschappelijke ontwrichting is ontstaan en de tweede of die
door een straf goed gemaakt zal worden.

Een moord betekent maatschappelijke ontwrichting. Dat zal
zelfs in de meeste gevallen de moordenaar toegeven. In het geval Wilders ligt
dit anders. De maatschappij is al ontwricht, vindt Wilders en daar komt hij
tegenop. Wilders wil juist met zijn uitspraken aangeven waardoor die
maatschappelijke ontwrichting is ontstaan. Minister president Mark Rutte mag
zijn uitspraken walgelijk vinden omdat hij vriendelijke, goedgezinde Marokkanen
kent, dat blijft een persoonlijke opvatting die de problematiek niet raakt.

Het werkelijke probleem is de
maatschappelijke ontwrichting die al bestond en bestaat zonder de uitspraken
van Wilders. Die kan niet worden ontkend, anders zou de partij van Wilders niet
bestaan.

De leus ‘Marokkanen minder, willen jullie dat?’ heeft in
wezen niet te maken met aanzetten tot haat tegen Marokkanen. Het richt zich
tegen de ontwrichting van de samenleving door die aanwezigheid. Hoe moeten wij
ons een samenleving voorstellen waarin de rechter kan verbieden dat onbehagen
te uiten? Dan gaat het ondergronds en is er geen rechtsstaat meer. Juristen
zullen zeggen ‘het hangt af van de vorm waarin en de omstandigheid waaronder
het gezegd wordt’. Als de manier waarop dat onbehagen wordt geuit een
bedreiging oplevert voor onschuldige burgers wordt een grens overschreden
waartegen opgetreden moet worden.

De vraag is dan: vormt de door Wilders gestelde vraag een
bedreiging voor Marokkanen in Nederland? Ik denk het niet. De Marokkaanse
gemeenschap mag zich miskend voelen, dat is geen grond voor vervolging tegen
Wilders. Hoe onhandig zijn uitspraken ook zijn, bij mijn weten is er geen Marokkaan
vanwege zijn uitspraken vermoord. Andersom wordt Wilders zelf wel dag en nacht
bedreigd, juist vanwege zijn uitspraken. Het is dan toch van den zotte te menen
dat de maatschappelijke ontwrichting door de woorden van Wilders is ontstaan.

Ik meen dus dat mijn eerste vraag ontkennend moet worden
beantwoord. Die maatschappelijke ontwrichting was er al. Indien men meent dat het
olie op het vuur is kan dat hetzelfde gezegd worden van de beslissing om te
vervolgen, die immers door velen niet in dank zal worden afgenomen.

Mijn tweede vraag deelt hetzelfde lot, want die
straf zal de maatschappelijke ontwrichting alleen maar groter maken.

Ik wil de schriftgeleerden van het openbaar ministerie
zoveel mogelijk in hun waarde laten, het gaat echter niet om woorden, het gaat
om de achtergrond. Begrijp ik Wilders goed dan is het de achtergrond die hij
aan de kaak wil stellen en niet de Marokkanen zelf.

Daarbij doet zich wel een eigenaardigheid voor. En die is
dat het Marokkanenprobleem is veroorzaakt door het misbruik van het sociale
stelsel, de werkloosheidswet, de algemene wet bijzondere ziektekosten en ga zo
maar door, waardoor ook in tijden van grote werkloosheid fabrieken niet aan
mankracht konden komen en daarom de woestijn in moesten. Als een land niet voor
zichzelf wil opkomen dan roept dat het onheil over zichzelf af. Nu, vijftig
jaar later probeert de politiek iets te doen aan die scheefgroei en het is met
name Wilders, althans zijn partij, die daarbij vaak dwars ligt.

Ik wens de rechter veel wijsheid toe.



Democratie

Recht Posted on Sat, September 06, 2014 15:53:44

GEDACHTENPOLITIE EN HET KALIFAAT VERVOLG

Kreten als
“Hamas, Hamas, joden aan het gas” worden gezien als haatzaaien. De publieke
uitspraak van een ISIS aanhanger ”Wat ISIS doet begrijp ik” wordt door sommigen
uitgelegd als verheerlijking, niet zijnde haatzaaien. De regering wenst op dit
moment geen verbod op deze vorm van verheerlijking, omdat je kwalijke gedachten
niet kunt verbieden.

Wederom met
verbazing keek ik eergisteren alweer naar de televisie-uitzending van Jeroen
Pauw waarin nu de politicus Emile Roemer zijn visie over dit netelige onderwerp
gaf.

Op een vraag
van Jeroen Pauw of hij, Roemer, vond dat de organisatie van de tijdens de
uitzending aanwezige aanhanger van ISIS, tegenstander van de democratie en
bevorderaar van het kalifaat, verboden moest worden antwoordde Roemer: “Daar gaat de
politiek niet over”.

Het publiekelijk
verheerlijken van het onthoofden van onschuldige mensen kan moeilijk anders
worden gezien dan het wegnemen van een mogelijke drempel. Evenzeer als de
aansporing onschuldige joden naar de gaskamer te willen sturen. De intentie is in
beide gevallen aansporing en niet louter begrip. Begrip voor barbaarse daden zonder
daartoe aan te sporen is denkbaar, maar alleen als dit uitgelegd wordt. De
uitspraken van de ISIS aanhanger spreken wat dit betreft voor zich.

Beide uitingen
hebben voorts de intentie om deze barbaarse daden als gerechtvaardigd voor te stellen.
Voor Hamas is dit de suggestie dat joden slecht zijn en voor ISIS de suggestie dat de aanhangers ongerechtvaardigd de
islamitische heilstaat wordt onthouden.

Volgens Roemer
gaat de politiek hier niet over. Met herinnering aan het staatsrecht wekte dit
bij mij verbazing. De ministerraad en het parlement vormen de wetgevende macht.
De regering dient de wetten uit te voeren. De rechter past de wet toe in geval
van geschil over uitleg, niet naleving, al dan niet op vordering van de
benadeelde. Als de wet niet voorziet in het aan de rechter voorgelegde geval
moet hij toch rechtspreken. Hij mag zich niet aan zijn rechtsprekende taak
onttrekken. Dit
is het stelsel van de trias politica, de scheiding der machten.

In zoverre
kan het antwoord van Roemer als een staatsrechtelijke blunder worden gezien. Roemer
miskent de politieke verantwoordelijkheid van de regering en die van de
volksvertegenwoordiging. Als er in de samenleving iets mis is dient de regering
in te grijpen. Dat kunnen ook maatregelen zijn als het bestaande rechtstelsel
niet functioneert.

Als Roemer bedoelt dat hij niet wil dat de politiek zich daarmee bemoeit heeft hij zich of
verkeerd of onhandig uitgedrukt en komen wij aan de politieke kant van de zaak.
Zijn opvatting komt er dan op neer dat een verbod van een organisatie die een
niet met onze democratie verenigbare staatsvorm nastreeft alleen beoordeeld mag
worden aan de hand van oude wetgeving en jurisprudentie, ontworpen in een tijd toen
de dreiging waartegen men zich wil wapenen nog niet bestond. Dat betekent niets
meer en niets minder dat men zich niet wil wapenen, of het is een miskenning
van de werkelijkheid.

In de jaren
dertig was er in Frankrijk ook iets dergelijks aan de hand. Het was de tijd van
de socialisten Leon Blum en Maurice Thorez. Als er door verontrusten werd
gesproken over het vanuit Duitsland opkomende gevaar werd dat weggelachen als la drôle de guerre. Laten we maar
toegeven dan komt alles in orde, dat was ongeveer de gedachte. Het gedachtengoed
van Prinses Irene, die met Al Qaida wil praten.

Het is niet moeilijk in te zien dat de passieve rol die Roemer voor de regering en volksvertegenwoordiging ziet bij grootscheepse navolging moet leiden tot anarchie of dictatuur.

Interessant was
ook hoe Roemer dacht over het optreden van de secretaris generaal van de
Navo Rasmussen. Roemer beschuldigde Rasmussen van oorlogsophitserij. Wij in het westen
zouden toch beter moeten weten, moeten begrijpen hoe Poetin zich bedreigd voelt
door de steeds verder naar het oosten oprukkende democratie. In het oosten
gelden heel andere normen en waarden.

Dat is op zich juist, maar Roemer ziet wel over het hoofd dat door die cultuurverschillen er weinig te praten valt, behalve als
je toegeeft. Tot inkeer komen dat soort lieden alleen als het gehanteerde middel
zich tegen hen keert.

Wij moeten leren leven met het besef dat de westerse democratische staatsvorm aan velen niet besteed
is. Toch ontneemt ons dat niet het recht ons te verdedigen.

Roemer kan zich wat mij
betreft niet plaatsen in de rij van voorvechters van de democratie, al zal hij
dat om het hardst ontkennen. Njet dus.

OH, East is East, and
West is West, and never the twain shall meet,

Till Earth and Sky
stand presently at God’s great Judgment Seat;

But there is neither
East nor West, Border, nor Breed, nor Birth,

When two strong men
stand face to face, tho’ they come from the ends of the earth!

Rudyard Kipling
(1865–1936)



Bewijs

Recht Posted on Tue, August 12, 2014 19:21:57

ONRECHTVAARDIGHEID

Aan het
stukje van Frits Abrahams Scheef mondje
in NRC DE WEEK van dinsdag 22 april 2014 kleeft een naar smaakje, hoe
goedbedoeld het ook moge lijken. Het gaat over de overleden katholieke bisschop
Gijsen die zijn handen niet zou hebben kunnen thuishouden bij kleine jongetjes.
De advocaat Jan Vlug nam het op voor Gijsen omdat Gijsen zonder deugdelijk
bewijs zou zijn veroordeeld.

Abrahams is
het in wezen eens met Vlug, getuige de laatste zin in zijn stuk ‘Maar aan een ramp behoeft nog geen
onrechtvaardigheid te worden toegevoegd’
. Door Abrahams wordt in twijfel
getrokken dat het slachtoffer vele jaren later de dader uit een foto in de
krant aan de hand van het zo kenbare scheve mondje van Gijsen zou kunnen hebben
herkend. Abrahams veronderstelt daarentegen dat die scheefgetrokken mond
veroorzaakt zal zijn door het kreunen van genot bij de daad. Hij komt mede
daarom met de advocaat Vlug tot de conclusie dat het bewijs onvoldoende
geleverd is en dat Gijsen daarmee onrechtvaardigheid is aangedaan.

Een paar
zaken vallen op. Allereerst is het geheugen van jonge kinderen beter dan dat
van volwassenen. Verder kan ik mij niet voorstellen dat een scheve mond in alle
gevallen eenzelfde indruk geef, dat het de herinnering aan het gezicht er
omheen zou vervagen, er geen waarneembare verschillen tussen scheve monden
kunnen zijn. Voor hetzelfde geld kan men zeggen, zodra iemand lacht verhindert
dit dat hij later nog zou kunnen worden herkend. Daarbij komt dat Gijsen
inderdaad een scheve mond had, mijns inziens niet zozeer als uitdrukking van genot,
eerder als blijk van afkeuring daarvan. Wat daarvan zij, of deze zelfkastijding
bevrediging gaf, sublimerende in genot, dieptepsychologen kunnen hier
ongetwijfeld meer over verklaren.

Het lijkt
mij meer voor de hand te liggen dat de scheve mond van Gijsen een zo wezenlijk
bestanddeel van zijn fysionomie vormde dat hij daaraan kon worden herkend,
zoals ook een litteken dezelfde functie vervult. Ik ben het wel met Vlug
en Abrahams eens dat getwijfeld kan worden aan een sluitend bewijs in
juridische zin. Maar daarbij wordt vergeten dat in het recht verschillende
vormen van bewijslevering bestaan. Het verst gaat het strafrecht, dat dwingend
bewijs vordert uit bescherming van de verdachte burger tegen de almachtige
staat. Die bescherming tegen de staat wordt in het belastingrecht
hinderlijk, niet praktisch geacht en daarom volstaan wordt met het aannemelijk
maken van de feiten. In het tuchtrecht gaat het vaak om fouten van beroepsbeoefenaren
die dan door deskundigen worden beoordeeld op de juistheid van hun gedragingen.

Om terug te
komen op Gijsen, het kan zijn dat er een vergissing in het spel is, die
mogelijkheid kan men nooit uitsluiten, maar in dit geval vind ik dat het risico
van de vergissing bij Gijsen ligt die met zijn handelwijze een kerk zo in diskrediet
heeft gebracht. Dat zal ook de klachtencommissie commissie zo gevoeld hebben. Dat
risico behoort in dit geval niet bij het slachtoffer te liggen, waarvan niet in
discussie is dat hij van de kerk te lijden heeft gehad. Het oordeel van de
advocaat Jan Vlug lijkt mij in dit geval iets te vlug.



Zelfverdediging

Recht Posted on Sat, April 05, 2014 15:57:37

HET GEBEURT

Twee jonge
overvallers, van
Marokkaanse afkomst, hebben hun overval op een juwelier in Deurne duur moeten bekopen.
Zij lieten het leven, geveld door één of meerdere kogels. Er is nog steeds onduidelijkheid
over de toedracht, door wie zij zijn doodgeschoten. De vrouw
van de juwelier was haar echtgenoot te hulp gesneld, met een pistool waar
geen vergunning voor was. Beide overvallers waren gewapend, de één ook met een vuurwapen,
de ander met een ander wapen. Het juweliersechtpaar is aangehouden, maar al
snel weer vrij gelaten. Die vrijlating wekte de woede van jongeren van
Marokkaanse afkomst die het juweliersechtpaar vastgehouden wilden zien. Die
woede werd aangewakkerd door bewindslieden die het gebeurde tot
bedrijfsrisico van overvallers rekenen.

Media en
strafpleiters vielen over elkaar heen. Het werd niet hardop gezegd maar
onderhuids voelde men de klacht. Hier was sprake van klassejustitie. Hier
werden Marokkanen gestigmatiseerd. Hier was aanzetting tot haat. Het was
onjuist hen als etnische groep weg te zetten. Het verhoudingsgewijs hoge
criminaliteitscijfer voor deze groep kon verklaard worden. Er golden
verontschuldigingen. Marokkanen kregen geen goede banen, stageplaatsen werden
hen onthouden. Er werd geen rekening mee gehouden dat het gebeurde Wilders in
de kaart speelde. Het was onjuist dat Marokkanen al op school de fout ingingen.
Er waren ook goede Marokkanen.

Het was deze
laatste opmerking die mij aan het denken zette. Die opmerking was zonder meer
waar. Net zoals er ook goede Duitsers waren. Die hadden ook geleden onder het
leed dat hun land de wereld had aangedaan en daar toch op werden
aangekeken. Nog heden ten dage zijn er Duitsers die in het buitenland
liever Engels spreken dan hun moedertaal.

Stigmatiseren,
het beoordelen van mensen op karaktereigenschappen aan de hand van herkomst of
uiterlijke kenmerken, is van alle tijden. Men kan het ook vooroordeel noemen. Het
is echter een illusie te menen dat men zonder vooroordelen zou kunnen. De
gemiddelde mens bestaat niet. Iedereen wijkt daar in mindere of meerdere mate
van af. Iedere wetenschap bedient zich van dit middel om klaarheid te brengen
in de boodschap. Men gaat allereerst af op verschijnselen. De zoöloog Nico
Tinbergen toonde aan dat jonge kuikens denken dat een balpen hun moeder is als
dat het eerste is wat ze wordt voorgehouden. Zij lopen er dan achter aan alsof het
hun moeder is.

Ook in een
geschil voor een rechter maakt men met het weergeven van vooral herkenbare
standpunten meer kans op een goede uitslag dan met het weergeven van allerlei buitenissige
details, al lijken die voor de pleitende partij zelf nog zo belangrijk.

Een verbod
op stigmatiseren is snel gegeven maar kan verregaande gevolgen hebben. Want wat is stigmatiseren? Een criminele dader zal
onzichtbaar moeten worden. Het vermelden van details, geboorte- of woonplaats,
geboortejaar, land van herkomst enzovoorts houdt al snel een risico in. Het kan aangevallen, gebruikt, misbruikt worden door ieder die zegt met die ander vergeleken te worden. Een
sprekend voorbeeld in dit verband is de discussie over Zwarte Piet. De geschiedenis
van Zwarte Piet heeft niets met de geschiedenis van de slavernij te maken. Toch
beelden velen zich dat in op grond van één simpele overeenkomst,
de zwarte huidskleur.

Voor de
goede Marokkaan is er troost. Het leven is een voortdurende strijd tegen
onwelgevallige vooroordelen en daartegen helpt maar één remedie, hoe de ander
te overtuigen van het tegendeel. Zij die zich deze moeite nemen zullen
erkenning vinden. Zij die dat te lastig vinden, simpelweg de waarheid ontkennen,
zullen de rotzooi voor zich uit blijven schuiven.

Echter gelet
op de in de media gevoerde discussie leek dit zelfonderzoek tegen dovemansoren. In de televisie-uitzending
van Pauw en Witteman van 31 maart j.l. werd bediscussieerd of men zich
wel tegenover aanvallers moest verdedigen, of men zich maar niet gewoon moest
overgeven. Beveiligingscamera’s, alarminstallaties, het zich bewapenen al of
niet met vergunning, het zich verzetten, het aangaan van het gevecht, alles werd
kritisch tegen het licht gehouden of het zin had, of het de toets der kritiek
kon doorstaan.

Er was ook
een post crimineel uitgenodigd, een bankovervaller, die zijn straf uitgezeten
had. Deze post crimineel wees de overval af. Hij dacht ongetwijfeld aan
zichzelf alsof hij de aangevallen juwelier zelf kon zijn. De andere gesprekspartners, waaronder een
advocaat, wezen deze tunnelvisie af, voelden vooral mee met de daders, wat hen was
overkomen. Er werd bij herhaling gewezen op passender maatregelen. Voorkomen was beter. Onze post
crimineel haalde zijn schouders op
en zei: “Het gebeurt”. Twee woorden van een kenner. Een hoofdcommissaris van politie mag dan in
zijn nieuwjaarsrede met trots wijzen op een daling in de grafiek, het zal de
geest niet veranderen. Sommige gesprekspartners, ongetwijfeld geschoolde sofisten,
gebruikten niettemin zijn woorden om wederom te pleiten tegen strengere straffen, tegen stigmatiseren.
Immers het gebeurt toch.

De angst
sloeg mij om het hart. Als deze geleerde mensen er zo over dachten, wat kon je doen als het vreselijke gebeurde? Hoe zou
je je kunnen verdedigen, het vege lijf redden? Weinig begrip daarvoor, wel voor een
humaner strafrecht om daders te ontzien, voor een betere wereld. En ik
dacht, is het niet beter gewoon dader te zijn, in plaats van slachtoffer? Ook die postcrimineel had gezegd: “Het gebeurt”. Had hij niet gelijk, zijn wij niet allen broeders? In het kwade dan.



Laster

Recht Posted on Wed, March 05, 2014 13:28:15

ZIJ LEVEN VAN DE MISDAAD

Zag eens op
tv een interview met de toenmalige advocaat mr Abraham Moskowicz. Zijn
ondervrager heette Kofferman, want Moskowicz noemde hem mijnheer Kofferman. Die
Kofferman kwam mij lichtelijk bekend voor, tenminste zijn gezicht.

Uiteindelijk
wist ik het. Er ging mij een licht op. Jaren geleden meldde zich bij mij op
kantoor een manspersoon die veel geld had waarmee hij niet voor de dag kon
komen. Hij had advies nodig. Ik had een onguur type verwacht, wat tegenviel.
Hij had weliswaar een zwarte coltrui aan, maar daar keek ik doorheen. Mr
Abraham Moskowicz had ik nooit in zo’n coltrui gezien. Die zag er altijd uit als
om door een ringetje te halen, met pakken en dassen in de PC Hooftstraat te
verkrijgen. Ik nam aan dat hij daar ook de cliëntèle opdeed.

Die
Kofferman, of hoe hij ook heten mag daar op mijn kantoor toen, wilde weten wat
hij met zijn geld moest doen. Hij wilde zo weinig mogelijk belasting betalen,
eigenlijk helemaal geen belasting. Ik legde hem uit wat de mogelijkheden waren.
Het beste was om maar naar het buitenland te gaan. Dan was hij van die nare
Nederlandse fiscus af. Hij moest daar wel gaan wonen en in Nederland geen
bedrijf meer uitoefenen. Er waren genoeg landen met een milder fiscaal klimaat
dan in Nederland. Ik kon hem globaal wel zeggen wat de verschillen in tarieven
waren.

Maar
mijnheer werd boos. Daar was hij niet voor gekomen. Hij wilde in Nederland
blijven, een flink rendement van zijn geld maken en niks belasting betalen.
Daar had ik maar voor te zorgen, anders was ik geen knip voor de neus waard en was
het bord naast mijn deur bedrog. Uiteindelijk zag hij de zinloosheid van het
gesprek in en vertrok na boos nog wat biljetten op tafel te hebben gesmeten, niet
als dank voor het aangenaam verpozen, wel na lichtelijk aandringen mijnerzijds.

En toen zag
ik hem weer op de tv. De gelijkenis was onmiskenbaar. De golvende haardos, niet
zo grijs als die van mr Abraham Moskowicz, er toch sterk op gelijkend. Ook
verder leek hij op hem, alleen zonder die onschuldige blauwe kijkers van Moskowicz, altijd
zo ferm toegeknepen als er iets flinks gezegd moest worden. Neen, de kijkers
van Kofferman waren eerlijker. Je wist meteen dat je met hem moest uitkijken.

Maar toen,
in dat tv programma, kwam die Kofferman helemaal niet voor advies. Neen, hij
ondervroeg mr Abraham Moskowicz scherp, alsof hij de advocaat van de
tegenpartij was en tegelijkertijd scherprechter. Mr Abraham Moskowicz beet van
zich af. De woorden infaam, lasterlijk en andere minder plezierige bejegeningen
vlogen over de tafel.

Mr Abraham
Moskowicz voelde zich diep beledigd, gegriefd omdat men hem een ‘intrinsiek
niet slecht mens’ had genoemd. Voor de strafmaat, die hem als tuchtmaatregel als
advocaat boven het hoofd hing, was dat een verzachtende omstandigheid. Niettemin,
Moskowicz nam het niet. Hij wilde wel toegeven er de kantjes vanaf te hebben
gelopen. Maar dat kwam omdat hij een ziek familielid had. Mijn haren schoten overeind.
Wat een verdediging zou dat worden wanneer de piloot, de chirurg en wat niet al
zich na misslagen tot deze advocaat zou wenden!

Mr Abraham
Moskowicz wilde dus niet ‘geen intrinsiek slecht mens’ genoemd worden. Ik moest
er even van bijkomen want alleen god zou zich zo’n reactie kunnen veroorloven. Op
zijn beurt noemde mr Abraham Moskowicz zijn tegenstander, de toenmalige deken van
de Amsterdamse Orde van Advocaten, mr G.J. Kemper, ‘een nette man’.

Zo die zat. Maar
wat was nu erger? Een niet intrinsiek slecht mens of een nette man? Het
duizelde mij. Toch moest ik Moskowicz gelijk geven. Hij moest van die
aanprijzing af. Daar kon hij bij zijn clientèle niet mee aankomen. En die ging
boven alles. Ik had de indruk dat die Kofferman dat ook wel begreep. Overigens,
die Kofferman, ik begreep dat hij een undercoverjournalist
was, die mij beentje had willen lichten. Mijn indruk, toen ik die twee daar tegenover
elkaar zag zitten, was dus juist geweest. Soort zoekt soort.



« Previous