Blog Image

Celeste Lupus

Over dit weblog

Celeste Lupus schrijft over: literatuur, politiek, filosofie, recht, economie en wetenschap.

Onkwetsbaar

Literatuur Posted on Sun, April 15, 2018 17:53:51

François
Hollande

Onlangs was er een interview met de gewezen Franse president Hollande op het journaal van de Franse televisiezender France 2 met de nieuwe omroepster
Anne Sophie Lapix. De keuze voor haar na de afgedankte maar zeer professionele
David Pujadas had verbazing gewekt, tenminste bij ons. David Pujadas had zeker
meer dan veertien jaar de boventoon gevoerd in de rij van
televisiepersoonlijkheden die ministers en presidenten het vuur aan de schenen
kon leggen. Iets dergelijks was eerder op het eerste Franse kanaal TF1 gebeurd toen
de zeer ervaren Patrick Poivre d’Arvor werd vervangen door Laurence Ferrari,
een modieuze vrouw waar de glossy bladen zich op storten, vooral vanwege haar veel
jongere partner, een violist. Laurence Ferrari werd al snel afgedankt, niet in
het minst door haar onhandige gevraag aan de president Nicolas Sarkozy over
zijn wel en wee met Carla Bruni in plaats van over zijn inspanningen in de
wereld een oorlog te voorkomen. Wij wachten af wat Anne Sophie Lapix zal overkomen,
maar sluiten niet uit dat het een herhaling van zetten wordt gelet op haar voordracht
die aan Laurence Ferrari doet denken. Met de uit het hoofd geleerde lesjes en
de vragenplankjes waarvan ze zich bedient bij de ondervraging van gewichtige
personen rijst de twijfel of zij dat wel aan kan.

Maar in het interview met François Hollande stonden twee
brekebenen tegenover elkaar en dat leverde een vermakelijk schouwspel op. Anne Sophie
Lapix vroeg aan François Hollande of hij zijn belofte de werkloosheid op te lossen
was nagekomen. Zonder blikken of blozen beaamde hij dat. Het leek intrappen
voor open doel. Met een vriendelijk doch ook vilein glimlachje zei ze : “Ik heb
andere cijfers. Kijkt u eens naar die grafiek op het scherm.” De grafiek liet
een toename zien van 26 % meer werkloosheid gedurende de 5-jarige ambtstermijn
van François Hollande. Met de van hem bekende onnozele blik keek die in het
rond en zei: “Dat klopt niet want ik heb 700.000 nieuwe banen geschapen.” Anne Sophie
Lapix slaagde erin niet te hinniken van de lach. Maar François Hollande gaf haar
geen gelegenheid en begon een monoloog over iets wat hij alleen zelf
kan navertellen.

François Hollande doet mij denken aan een duikelaartje,
zo’n kogelrond mannetje van rubber waar wij als kind vroeger mee speelden. Je gaf
het een duw, nog een duw en weer een duw, je zwaaide hem alle kanten op. Steeds
kwam het overeind, figuurlijk op zijn pootjes want die had hij niet, dank zij het
lage zwaartepunt. Hollande heeft die wel en gebruikt ze ook in een potje voetbal,
waar hij een liefhebber van is. Ik heb daar beelden van gezien en zoals hij voetbalt
zal hij de ministerraad hebben voorgezeten. Onwelgevalligheden moeten langs hem
heen gegaan zijn als de wind die door het net blaast. Aan het einde van zijn ambtsperiode
beweerde hij alle doelen gehaald te hebben zonder het de statistieken te laten bevestigen,
hield een lang betoog waarin veel aan bod kwam doch niets in het bijzonder en zei
tussen neus en lippen dat hij het voor gezien hield. Het was leuk geweest, maar
alles had zijn eind.

François Hollande wandelt door het leven als het jongetje
in het muziekstuk Peter en de Wolf van Sergei Prokofiev. Hij was zomaar president.
Op de tribune in het stadion Saint Denis tijdens de voetbalwedstrijd Frankrijk Engeland,
er buiten een aanslag plaats vond en ontploffing te horen was, knipperde de president
verbaasd met zijn ogen. Het knapste jongetje van de klas, zijn eigen minister president
Laurent Fabius, wist: “François Hollande is de meest onderschatte politicus ooit.”

Charles de Gaulle, die vanachter de schrijftafel de oorlog
won, in 1958 door een staatsgreep aan de macht kwam, overleefde een referendum niet
en was een jaar later dood. François Hollande doet beter. Bij zijn aantreden als
president stond een overjarige courtisane aan zijn zijde. Ze verkeek zich op hem
die ze aan de haak geslagen had, kon alleen nog maar de vuile was buiten hangen.
Haar kwelgeest is gelukkig met Julie Gayet, een comédienne, die hem zo nu en dan
over zijn bolletje aait met de vraag: “Wat heb je nu toch allemaal weer beleefd?”



Circus

Literatuur Posted on Sat, April 07, 2018 16:04:21

HET MOOISTE DOELPUNT OOIT

Zinadine Zidane wist het zeker. De omhaal van Ronaldo in
de wedstrijd van Real Madrid tegen Juventus afgelopen dinsdag 3 april 2018 was het
mooiste doelpunt ooit gemaakt. Juventus was het daar meesmuilend mee eens. Zelf
hadden ze twee keer in eigen doel geschoten en de Nederlandse scheidsrechter Makkelie
had hen een strafschop onthouden. Ik heb de wedstrijd niet gezien, alleen op
internet een stilstaand beeld van de omhaal. Meer was mij niet vergund omdat ik
weiger mee te doen met het gesar van adverteerders die mij beelden onthouden
als ik niet op hun avances inga. Ik was alleen minder benieuwd naar de kogelbaan
van de bal, die toch gelukkigerwijze door een gaaf net werd gestuit. Want als
er een gat in had gezeten waren de rapen gaar geweest. Neen, ik probeerde mij
voor te stellen hoe Ronaldo zelf was terechtgekomen na zo’n salto mortale. Op
zijn rug, op zijn hoofd, had hij zijn nek niet kunnen breken?

Dat komt omdat ik als kleine jongen dacht de wereld te
kunnen betoveren met mijn gedribbel. Helaas had ik het euvel mij te moeten bevinden
temidden van ploeggenoten die geen lantaarnpaal konden omspelen en vaker in de grond
trapten dan tegen de bal. Eigenlijk zelden tegen de bal, als het dan niet was
in de grond dan maar tegen het scheenbeen van de tegenstander die niet in de
gaten had dat je met motorisch gestoorden moest oppassen. Het gevolg was dus
dat mijn prachtige assists als paarlen voor de zwijnen waren. Ik besloot het
daarom helemaal zelf te doen en maakte een wonderschoon doelpunt, waarbij, vanaf
de ongelukkige uittrap door onze eigen doelverdediger, die behalve ikzelf geen
uitzondering op de regel vormde en vaak pas van de grond kwam als de bal al
achter hem lag, tot aan het verbouwereerde gelaat van de zich met vakantie
wanende doelverdediger aan de andere zijde van het veld, geen medespeler aan te
pas had hoeven te komen.

Dat was sommigen niet ontgaan en ik werd als dreumes in
het allerhoogste elftal geplaatst en mijn oudere broer die nu een elftal lager
speelde uit misnoegen zijn lidmaatschap op zei. Maar ik was in dat hoogste elftal
niet klaar voor het grote werk. Want wederom na zo’n wonderschone dribbel en ik
een twee hoofden grotere slagersknecht met een varkenssnuit het achterste van
mijn smalle beentjes had laten zien haalde deze alsnog uit en zwiepte mij zeker
twee meter verderop, als het niet drie was, waar ik nog net niet buiten westen
op de grond belandde en benieuwd was hoe de onverlaat in het gareel zou worden gebracht.
De scheidsrechter wreef zijn ogen uit na het zien van deze aanslag die na de oorlog
niet meer was voorgekomen en hapte naar adem alsof hij hetzelf had ondergaan. Weer
bij zinnen gekomen stelde hij vast dat hier zeker een vrije schop voor gegeven kon
worden. Dat was gelijk het einde van mijn voetballoopbaan want mijn koele verstand
rekende mij voor dat met zulke varkensschoppen meer was te bereiken dan met mijn
dribbels en ik miste daarvoor ten enenmale de aanleg.

Misschien begrijpt u nu waarom ik zo bezorgd was naar de toestand
van Ronaldo na zijn uitvoering van die vermetele zo niet roekeloze ingeving. Ik
kom hier ook op omdat wij in onze jeugd stripboekjes lazen over Kick Wilstra, een
blonde Friese jongen die het Nederlandse amateuristische voetbal had verlaten en
voor Arsenal de sterren van de hemel speelde en de striptekenaar hem een doelpunt
liet maken zoals Ronaldo die in het echt heeft laten zien. U begrijpt dat ik mijn
twijfels had over de echtheid van wat die striptekenaar ons meende te kunnen voortoveren,
maar hem nu gelijk moet geven met die vooruitziende blik dat er circusartiesten
zijn voor wie geen zee te hoog gaat.



Jacques Brel

Literatuur Posted on Mon, January 22, 2018 13:31:51

OPFLIKKERING

In de Aveyron in Frankrijk is het hartje winter, midden
januari. Elders is het ook winter, maar we zijn hier niet ver van Aurillac de
hoofdstad van het departement de Cantal, het armste deel van Frankrijk. Het is
daar steevast het aller-koudst als de teevee de weerkaart van Frankrijk toont. Het
is de plaats waar de vondeling Remi zijn rondreis begint met zijn beschermer
Vitalis, een zwerver die vroeger de beroemde Italiaanse zanger Carlo Balzani
was. Zo vertelt ons het beroemde boek Sans
Famille
van Hector Malot. Het verhaalt over een wereld die ons vreemd moet
zijn met een overheid die je van de wieg tot het graf verzorgt. Remi en Vitalis
echter leefden in de negentiende eeuw en probeerden als straatartiesten te
overleven.

Daar doet mij deze streek aan denken als het winter is.
Je ziet geen mens en het enige wat in je opkomt is te schuilen. Al is het er in
de zomer prachtig en zijn er ook wel toeristen, het biedt niet de oplossing
voor de weinige werkgelegenheid die er is. Voor de liefhebber van de
natuur is dat niet erg. Je moet je hier zelf vermaken en daar komen de meesten
niet op af.

En als men hier verkeert hartje winter is het troosteloos,
ondanks de herinnering aan de afgelopen zomer, het nog te lang duurt voordat in
de lente de damp zal optrekken en de oudjes hun botten kunnen warmen. In de
streek hier heeft de rivier de Lot niets lieflijks meer. Met de bruine
modderstroom die het meevoert, afgegleden van hellingen waar de rots geen
houvast meer biedt, jaagt het angst aan en verwacht je achter ieder gesteente,
na iedere kronkeling in de weg geen mensen maar spookgestalten, kobolden,
druïden, al naar gelang de mist het verkiest zich in een gedaante te vertonen.

Maar soms gebeurt er een klein wonder. In al deze
troosteloosheid en de teevee allang geen uitkomst meer bood was er een klein
berichtje over een voorstelling. Het zou gebeuren in de salle de fȇte, een vervallen feestzaaltje in het piepkleine dorpje
Grand Vabre waar alle vermakelijkheid was opgeschort tot het verre voorjaar. In
weinig feestelijke kledij kwam de schaarse bevolking er op af. Wie er optraden
was onbekend. Een programma was niet voorhanden. De verwarming stond nog aan,
maakte veel geraas en verspreidde een minder aangename lucht. Dat kon ook komen
door de wasem uit de jassen van de bezoekers vermengd met de geur van de
bezitter.

Het podium bood weinig opwekkends. De verhoging zou het
wel houden, maar dat was het wel zo’n beetje. Wat er ging gebeuren bleef gissen.
Zo nu en dan sloop door een triplex deur een schrale man met grijs piekhaar het
podium op, pakte een gitaar, snoof er aan alsof het een onderhoudsbeurt nodig
had, legde het weer neer alsof er niets mee te beginnen was.

Hij keurde de zaal met zo’n zestig mannen en vrouwen,
zich gedragende als op een huishoudbeurs, geen blik waardig. Hoe lang het nog
zou duren bleef ongewis, want in Frankrijk is het niet ongebruikelijk dat de
voorstelling een uur later begint.

Maar daar kwam dan toch van achter uit de zaal een madame aanlopen die het op haar manier gemaakt
leek te hebben. Ze klom wankele treedjes op naar de microfoon. Als présidente van de Association culture et patrimoine, de plaatselijke
gezelligheidsvereniging, gebruikte ze weinig woorden om Manu en Sylvain te
begroetten. Door het triplex deurtje was nu ook Manu tevoorschijn gekomen, die
oogde als conferencier voor de buurtvereniging. De kwartiermaker met het grijze
piekhaar moest Sylvain zijn.

Sylvain pakte de guitaar, begon er op te bonken wat
weinig goeds voorspelde. Maar dat duurde niet lang. Wat volgde was een ode aan
die veel te vroeg gestorven minnezanger. Manu was zichzelf, maar vooral Jacques
Brel alsof die was herrezen. Sylvain ontpopte zich als een rasmuzikant, tokkelde
swingende akkoorden, bruusk of zoetgevooisd al naar gelang de zang dat van hem
vroeg. Met zijn kleine accordeon vertolkte hij de melodielijn in het lied Port d’Amsterdam, een meeslepende wals
over de zelfkant in de haven, waar het leven weinig meer te bieden heeft dan het
zinnelijke genot. Zijn mondharmonica bezong de weemoed van de eenzame mens.

De hier en daar wat rauwe stem van Manu leende zich voor
de kreet van de mens die weinig goed kan doen, de verschoppeling die zich mooi
voor wil doen. Manu zong met de hartstocht alsof hij ze allemaal beweende.

Maar hij begon met het lied van de stervende, le moribond:

Adieu Emile, curé, Antoine, ma femme. C’est dur
de mourir au printemps tu sais. Je veux qu’on rit, qu’on danse, s’amuse comme
des fous.
Quand c’est qu’on me mettra dans le trou?

Vaarwel Emile,
pastoor, Antoine, mijn vrouw. Te vergaan in de lente, dat is hard weet je. Jullie
moeten lachen, dansen, als gekken te keer gaan. Wanneer ga ik in de kuil?

En daarna het lied les
bourgeois:

Le coeur bien au chaud, les yeux dans la bière,
chez la grosse Adrienne Montalant, avec l’ami Jo-jo, et avec l’ami Pierre,
Jo-jo se prenait pour Voltaire, Pierre pour Casanova, moi je me prenais pour
moi, et quand vers minuit passaient les notaires qui sortaient de l’Hotȇl ‘Des
Trois Faisans’, on leur montrait notr’cul et nonbonn’s manières en leur
chantant: les bourgeois c’est comme des cochons, plus ça devient vieux plus ça
devient bȇte.

Helemaal in de
stemming achter het bier, bij dikke Adrienne Montalant, met makkertjes Jo en
Pierre, al twintig jaar lang, Jo was niet minder dan Voltaire en Pierre als Casanova,
ik hield me groot, om middernacht kwamen de notarissen uit De Drie Fazanten,
wij lieten ze ons poepertje ruiken en zongen: brave burgers zijn varkens hoe
ouder hoe viezer.

Daarna les vieux:

Les vieux ne parlent plus, ne rȇvent plus, ne
meurent pas, ils s’endorment un jour, ils se tiennent la main, ils ont peur de
se perdre, et se perdre pourtant, celui des deux qui reste se retrouver en
enfer, vous les verrez peut-ȇtre, vous les verrez parfois en pluie et en
chagrin, en s’excusant déjà de n’ȇtre pas plus loin et fuir devant vous une
dernière fois, la pendule d’argent qui ronronne au salon, qui dit oui qui dit
non qui leur dit: J’attends.

De oudjes
praatten, dromen, sterven niet meer, ze slapen in op een dag, bang elkaar te
verliezen en dat gebeurt toch, hij of zij die er nog is komt in de hel, je hebt
ze gezien misschien, soms in traan en met verdriet, met de schuld er nog te
zijn, ze schuwen de zilveren pendule, die tikt in de salon en zegt ja, die tikt
en zegt neen, die tikt in de salon en hen zegt ‘ik wacht’.

Manu nam een rust om zich ter verontschuldigen voor
zoveel verdrietigheid. Sylvain steeg al improviserend boven zichzelf uit,
waarna Manu tot zichzelf kwam, de draad weer oppakte. Hij zong
het lied le plat pays:

Avec la mer du Nord pour dernier terrain vague,
et des vagues de dunes pour arrêter les vagues, avec le vent d’ouest écoutez le
tenir, le plat pays qui est le mien, avec des cathédrales pour unique montagnes
et de noir clochers comme mats de cocagne, avec un ciel si bas qu’un canal
s’est perdu, avec un ciel si gris qu’un canal s’est pendu, avec le vent du nord
qui vient s’écarteler, avec le vent du nord écoutez le craquer, le plat pays
est le mien, avec l’Italie qui descendrait l’Escaut, avec Frida la Blonde qui
devient Margot, quand le vent est au rire quand le vent est au blé, quand le
vent est sud écoutez le chanter, le plat pays qui est le mien.

Met de
Noordzee waar helemaal niets is, de golvende duinen om te strijden tegen de
golven, met de westenwind hoor hem tekeer gaan, met de kathedralen als bergen
en torens om te beklimmen, met hangende luchten zo laag dat het kanaal er in zinkt,
met grijze luchten dat een kanaal er in hangt, met de noordenwind die zich in
vieren deelt, hoor hem gieren, het vlakke land is van mij, van Italië tot de
Schelde, blonde Frida als Margot, als de
wind door het koren gaat, de zuidenwind hoor hem zingen, het vlakke
land is van mij.

Hier in deze zuidelijke
riviervallei met rotsen en hellingen klonk dit lied over het vlakke land als
een liefdesode aan een misdeeld kind. Het maakte diepe indruk. Zo ook het lied l’ivrogne :

Ami remplis mon verre, encore un et je vas, encore et je vais, non
je ne pleure pas, je chante et je suis gai, mais j’ai mal d’être mois, buvons à
ta santé, toi qui sais si bien dire qu’elle va revenir, tant pis si tu es
menteur, je serais saoul dans une heure, buvons aux jeunes filles, qu’il me
reste à aimer, buvons déjà aux filles que je vais faire pleurer, et tant pis
pour les fleurs, qu’elles me refuseront, je serai saoul dans une heure, buvons
à la putain, qui m’a tordu le cœur, buvons nuit après nuit, puisque je serai trop
laid pour la moindre Sylvie, buvons puisqu’il est l’heure, je serai bien dans
une heure, je serais sans espoir, ami rempli mon verre.

Vriend vul
mijn glas, nog één en ik zal gaan, nog één en ik ga, ik huil niet, ik zing en
ben vrolijk, maar ik ben niet helemaal mezelf, laat ons drinken op jouw
gezondheid, jij die het allemaal zo goed weet, ze zal terugkomen, als je liegt
het zou wat, ik ben bezopen over een uur, we drinken op de meisjes, die er nog
zijn waar ik van kan houden, we drinken alvast op de meisjes die me niet zien staan,
de bloemen die ze niet willen hebben, het zou wat, ik ben bezopen over een uur,
we drinken op het neuken, dat me zo aan het hart gaat, laat ons drinken
nachtenlang, ik ben te lelijk zelfs voor Sylvie, laten we drinken tot het tijd
is, ik zal niet weten wat te doen, vriend vul mijn glas nog eens.

Plotseling was het afgelopen. De aanwezigen hadden anderhalf uur lang ademloos
geluisterd, zonder enige nies of kuch. Manu en Sylvain waren er doorheen. Het
was niet anders. We keerden huiswaarts. Het weer was afschuwelijk. Geen mens
vertoonde zich op de weg. Maar na de liederen, de chansons van Jacques Brel, voelden
we ons hier minder verlaten.



Beroepsethiek

Literatuur Posted on Mon, May 29, 2017 14:52:01

TESTAMENT

Ik toog naar de notaris en zei dat ik mijn testament
wilde maken. Hij vroeg: “Wat moet er in?” Ik zei: “Neemt u maar op dat op mijn begrafenis
mijn nabestaanden moeten zingen Hij leve
hoog! Hij leve hoog!
Maar wel op toon en met de juiste dictie.” De notaris
schudde verbaasd zijn hoofd: “Waarom is dat in godsnaam?” Ik zei: “Dat is mijn
manier om in de hemel te komen.” De notaris na wat nadenken: “Daar zit wat in. Wat
gaat u doen daarboven?” Ik zei: “Spelen op de Steinway vleugel, op de fluit, ik
heb een Myazawa en een Philip Hammig, oh ja, ook nog een renaissancefluit. De
zang doe ik er ook bij. Neemt u dat ook maar op.” De notaris: “Denkt u dat ze
daarboven een Steinway vleugel hebben?” Ik zei: “Jazeker, als ik de mijne
meeneem wel.” De notaris schudde ongelovig zijn hoofd: “Zo’n ding is toch veel
te zwaar daar boven.” Ik zei: “Daar heeft u gelijk in. Maar die beperkingen
gelden alleen voor de mensen op aarde. De notaris: “Kan dat allemaal niet
geregeld worden zonder mijn tussenkomst? Ik vrees moeilijkheden te krijgen met
mijn geloofwaardigheid.”
“Met uw geloofwaardigheid?”
“Ja, in beginsel behoor ik op te schrijven wat de mensen
van mij verlangen. Maar ik ben godvruchtig van aard, wat een rem legt op mijn
vermogen mee te werken aan iets waar ik niet in kan geloven.”
“Gelooft u niet aan de hemel?”
“Jazeker geloof ik aan de hemel. Maar die Steinway vleugel,
dat kan niet. Dat zingen misschien wel.”
“U beslist dat ik mijn Steinway vleugel niet mee mag
nemen naar de hemel? Dat lijkt mij een reden voor een klacht.”
De notaris verschrikt: “Dat meent u niet.”
“Jazeker meen ik dat. U gelooft niet dat het kan en stelt
dat boven uw plicht als notaris.”
De notaris zuchtend: “Hoe komen we hier uit!”
Ik zei: “Ik heb met u te doen. Laten we het houden op Hij leve hoog! Hij leve hoog! En vertrouwen
op de goede afloop.”



Pamfletterie

Literatuur Posted on Sun, April 30, 2017 11:28:52

SPEURTOCHT VOOR SCHRIFTGELEERDEN

Ooit in het
jaar 1990 verscheen er een pamflet getiteld De
ondergang van Nederland – Land der naïeve dwazen
door ene Mohamed Rasoel.
Velen hebben zich suf gepiekerd wie daar achter zou zitten. Want de
schrijversnaam kon niet echt zijn, moest ontleend zijn aan de islamitische
spreuk La illa la il Allah, Mohamed
Rasoel Allah
, oftewel er is maar één God en Mohamed is zijn profeet. Niet
dat Mohamed Rasoel, als men het pamflet leest, veel op heeft met die wijsheid.
Het biedt een aaneenschakeling van hoe de nette behoorlijke Nederlander
zichzelf voortdurend in de voet schiet, zo dat het lachwekkend, schrijnend
wordt. Rasoel bestempelt de Nederlander als dwaas, naïef. En in wezen is dat
nog zwak uitgedrukt. Want er is een nog kwalijker uitleg denkbaar over die Nederlander.
Namelijk de Nederlander die het dan wel opneemt voor de hulpvragende
vreemdeling aan de poort, maar dit doet uit berekening, omdat ook hij zich
slachtoffer voelt, door wilszwakte, onvermogen iets te ondernemen en zich klein
maakt om een ander de kastanjes uit het vuur te laten halen. Hij ziet die vreemde
als gelijke, als medestander in de strijd om het bestaan die beiden uit de weg gaan.

Hoe dat ook
zij, Mohamed Rasoel voorspelt onheil door zoveel gebrek aan inzicht en
wilszwakte. Het is niet toevallig dat het pamflet in 1990 grote beroering wekte
en dat het de veronderstelde schrijver, ene Zoka Mansoor A., een uit Pakistan afkomstige
revue artiest, op een veroordeling wegens aanzetten tot haat op grond van ras
of geloofsovertuiging kwam te staan. De sfeer in het land was dusdanig dat men
zich gekrenkt moest voelen, bij de zuiveren van geest omwille van de vluchteling,
bij de berekenende Nederlander door het gevoel zich in de kaart te hebben laten
kijken.

Het is niet
daarom dat ik dit stukje schrijf. Neen, het gaat hier om de vraag wie het
pamflet werkelijk geschreven heeft. Dat Zoka Mansoor A. het helemaal alleen
heeft geschreven kan ik niet aannemen. Daarvoor is de stijl te wisselvallig,
hier en daar literair en scherpzinnig, met een kennis van zaken die men van een
revue artiest niet kan verwachten. Ene W. Drees uit ’s-Gravenhage schreef naar
aanleiding van een bericht in de NRC een ingezonden brief, geplaatst op 9
november 1990. Hij neemt stelling tegenover de mening van de taalkundige prof.
T.A. van Dijk dat Gerrit Komrij de schrijver zou zijn, hetgeen de laatste
verontwaardigd ontkende. Eerlijk gezegd zou ook mij dat verbazen, want Gerrit
Komrij meen ik te kennen als een letterkundige die als zoveel van zijn
soortgenoten zich kon laten verblinden door het geweeklaag. Zonder het pamflet
te kennen formuleert W. Drees behoedzaam dat naar zijn mening Gerrit Komrij
niet de schrijver kan zijn. Drees kent Komrij niet, maar Rasoel wel, die allochtoon
is, geen perfect Nederlands spreekt en onvoldoende kennis van de Nederlandse
instituties heeft. Drees meent aan de hand van de persberichten dat het motief
van Rasoel is de waarschuwing tegen onverdraagzaamheid, tegen fundamentalisme.

Allereerst,
wie was deze W. Drees? Hij zou de zoon dan wel de kleinzoon van de grote Drees kunnen
zijn. De zoon als leider van de teloorgegane politieke partij DS ’70 die zich
verzette tegen het verloederde socialisme, ofwel de kleinzoon, natuurkundig en
theologisch geschoold. Bij mij kwam even de gedachte op dat deze Drees zelf de
auteur van het geschrift zou kunnen zijn geweest, maar verwierp dat onmiddellijk.
Het geslacht Drees kenmerkte zich door gedegenheid, behoedzaamheid, wars van strapatsen.

Er was eens in
Nederland een pamflettist die zich bediende van zoveel schuilnamen dat zijn
slachtoffers wel in de war moesten raken en dat was natuurlijk ook de bedoeling.
Piet Grijs, Stoker, Raoul Chapkis, Battus, Victor Baarn, Batticus, Hugo Battus,
Dolf Cohen, Maaike Helder, Peter Malenkov, Talisman en dat is nog maar een
fractie van zestig of zeventig andere schuilnamen waarvan hij zich bediende. Ik
herinner mij dat Battus de toenmalige minister president Biesheuvel niet kon
uitstaan vanwege diens walgelijke operettehoofd. Ook Piet Grijs maakte het zeer
grijs en zo verder. Zelf vond ik dat deze pamflettist eruit zag als een aan het
celibaat ontsnapte priester met de verholen blik of hij daar wel goed aan
gedaan had. Misschien dat hij daardoor zulke fletse kinderen kreeg. Beiden
traden dan wel in de voetsporen van de vader, echter hun bespiegelingen over
het leven smaken naar slappe thee.

Maar de vader
vermoordde de loopbanen van de criminoloog Wouter Buikhuisen en de
rechtsfilosoof Paul Cliteur. Hij doet denken aan de linkse rakkers na de oorlog
die voor Moskou de poort openden, maar schielijk hun waffel hielden zodra
uitkwam dat ze in de oorlog fout geweest waren. En men moet er bewondering voor
hebben dat Piet Grijs het zo wist te klaren dat niemand op de gedachte kwam hem
aan te geven voor aanzetting tot haat, alhoewel Buikhuisen als gevolg van diens
aanvallen te maken kreeg met bommeldingen, zijn oratie werd verstoord en hij met
de dood werd bedreigd. Ook Cliteur voelde zich door zijn opiniestukken bedreigd,
als ook door die van Marcel van Dam en Thijs Wöltgens.

Er heerst een
gespleten geest in Nederland. De één mag aanzetten tot haat, omdat het politiek
correct is. De ander mag het niet, omdat de waarheid verdraaid mag blijven
worden. De in Oost Duitsland onder het Stasi bewind levende protestzanger Wolf
Bierman zou hiermee uit de voeten hebben gekund, die in zijn liederen de moraal
vertolkte waarvan hij over zijn nek ging.

Het is maar
een gedachte. Het raadsel van Mohamed Rasoel blijft onopgelost, misschien is
het Piet Grijs geweest die het schreef, om zijn geweten te sussen.



Kleding

Literatuur Posted on Thu, March 30, 2017 16:49:31

HOOFDDOEK

Zag gisteren bij Pauw op de teevee een vrouw met een
hoofddoek. Op gevaar af hiermee aanstoot te geven wil ik kwijt mij hier zorgen
over te maken. Ik weet dat politici ons willen dwingen dat normaal te vinden,
maar bij mij kan het er niet in. Die vrouw had een hoofddoek zo strak om haar
hoofd gebonden dat ze er wel in kon smoren. Ze zat naast een professor die ging
over de veiligheid en die zei dat er veel meer radicale jongeren waren dan we
dachten. Die vrouw was een soort sociaal werkster binnen de moslimgemeenschap en
probeerde jongeren daar te behoeden voor verkeerde gedachten. Men zegt wel en
dat zei die mevrouw met die hoofddoek ook dat radicalisering niets met de islam
te maken heeft en dat ook vele moslims het slachtoffer zijn. Ik ervaar dat toch
als een belemmering van de vrije gedachte want radicalisering komt eigenlijk
alleen onder moslims voor. Radicalisering, moordzucht tegenover andersdenkenden
is het resultaat van een aantal omstandigheden. Allereerst het geloof zelf dat
zoiets moet rechtvaardigen. Dat doet de koran ook al willen geletterde moslims
daar over heen lezen. Verder de aanwezigheid van machtswellustelingen die aan
hun genot komen door te onderdrukken en in het zich gekleineerd voelen het
middel zien tot het oproepen van wraak tegenover critici. Verder het
analfabetisme, de ongeletterdheid, de slaafse navolging door het onvermogen te kunnen
oordelen.

Waarom droeg die vrouw bij Pauw, die toch zou moeten
kunnen oordelen, die afschuwelijke hoofddoek? Ik breek me daar het hoofd over. Ze
wordt daartoe gedwongen of ze wil het zelf. Als ze het zelf wil weet ze dat het
in ons land aanstoot geeft. Ik kan me niet voorstellen dat die hoofddoek
gedragen werd om zich tegen de kou te beschermen. Integendeel, in die warme omgeving
van dat praatprogramma moest die hoofddoek toch al gauw verstikkend worden. Dat
het met zo’n hoofddoek niet prettig zit leren ook onze koninginnen die in het Midden
Oosten met zo’n ding op lopen terwijl ze dat hier wel nalaten.

Ik dacht toen als die mevrouw het zelf wil en het heeft
geen nut, dan is het om te laten zien hoe je je behoort te kleden. Sociale
dwang dus. Men kan tegenwerpen dat het onschuldig was, zoiets als klederdracht
of een clubuniform. Toch werd mijn ongerustheid er niet minder door want het
gezegde ’s lands wijs ’s lands eer gold
bij ons niet meer. Tot ik op een bevrijdende gedachte kwam. Misschien was zij
undercover.



John le Carré

Literatuur Posted on Tue, November 29, 2016 12:20:19

The Naive and Sentimental Lover door
John le Carré

Van een vriend kreeg ik het boek dat hierboven als titel vermeld
staat. Hij zag daarin overeenkomsten met mijn eigen romans, althans wat betreft
het begin. John le Carré, pseudoniem van David Cornwell, beschouwde het als
zijn beste boek, terwijl het veel minder succes had dan sommige van zijn andere
boeken, waarvan de bekendste zijn The Spy
Who came in from
the Cold, Tinker
Tailor Soldier Spy
en Smiley’s People.
John le Carré werkte vijf jaar in de Britse diplomatieke dienst, gedurende
welke hij de boeken Call for the Dead,
A Murder of Quality en The Spy Who came in from the Cold schreef.

Het boek The Naive
and Sentimental Lover
gaat niet over spionnage, zoals zijn andere boeken. Het
gaat over Aldo Cassidy, een geslaagde zakenman, die fortuin heeft gemaakt met kinderwagens
voorzien van een veiligheidsrem. Zijn vader, Old Hugo, een flamboyante, zijn
zoon altijd nog belerende figuur, probeerde het met het uitbaten van hotels, met meer en
minder succes, zoals uit het verhaal op te maken valt. Aldo Cassidy is getrouwd
met Sandra, heeft met haar twee zoons Mark en Hugo, is met zijn achtendertig
jaar de beminnelijke leider van zijn kinderwagenimperium, wiens woorden alleen thuis
verkeerd kunnen vallen. Zodoende verzwijgt hij voor zijn echtgenote, met wie
hij een plichtmatige verhouding heeft gekregen, uitstapjes gedreven door een
heimelijke wens. Het boek begint met de mededeling aan zijn vrouw dat hij naar
Bristol moet voor zoiets als stadsplanning, voorgevende locale politieke
aspiraties te hebben. Zijn vrouw kan niet mee volgens Aldo, zij drijft immers
haar kliniek, kennelijk uit liefdadigheid. In werkelijkheid bezichtigt Cassidy
een manor house genaamd Haverdown, een
vervallen buiten dat zijn romantische verlangens heeft gewekt. Daar ontmoet hij
een duister echtpaar, Shamus en zijn bloedmooie vrouw Helen, die het kasteeltje hebben
gekraakt. Shamus, een soort David Bowie achtige figuur, is een schrijver die na
een writers block bij zijn uitgever
Dale in ongenade moet zijn gevallen. Shamus moet in de steenrijke Cassidy zijn
verlosser zien. Cassidy raakt in de ban van Shamus die hem de ogen opent en met
zijn magie hem verlost van de many too
many
, ofwel in goed Nederlands ‘het klootjesvolk’. Shamus is de
getormenteerde, gekwelde kunstenaar zoals de eenvoudige man die uit
overleveringen meent te herkennen, voor wie het leven te benauwd is, zich van
wet of moraal niets hoeft aan te trekken en zo ontzag afdwingt bij hem die
altijd in het keurslijf heeft moeten lopen. Zo eigent Shamus zich Aldo Cassidy toe
als zijn beschermheer, die zich moet voegen naar de grillen van de grote
kunstenaar, de ziener, alles onder het blazoen van de grote liefde voor elkaar.
Het kan niet anders dan dat zoiets uit de hand loopt. Want met de inzet van
Helen als de begeerlijke vrouw, die Aldo Cassidy zijn echtgenote Sandra, the bosscow, moet doen vergeten,
overspeelt Shamus zijn hand door Helen aan Cassidy uit te huwelijken.

In dit groteske verhaal, waarin Aldo Cassidy onder de
bekoring, de magie van Shamus raakt, hij zich laat vernederen als kasstijding
voor zijn zakelijke succes, spelen Wahrheit
und Dichtung
zich afwisselend af. Waarom John le Carré dit zijn beste boek
vond lijkt voer voor psychologen. Groten als Nietsche, Klopstock en andere
namen uit de Duitse literatuurgeschiedenis worden als Spielerei ten tonele gevoerd, waarmee het nihilisme van Shamus
geduid zou moeten worden, die met zijn bizarre gedrag zijn leegheid moet
verbloemen.

In de Latijnse cultuur zou een dergelijke ontwikkeling moeten uitlopen
op een noodlottig drama, zoals bijvoorbeeld in de Franse film La femme d’à côté. Zelf bij het lezen van het boek dacht ik aan een
afloop à la Harold Pinter, die een meester was in het verbeelden van de
verborgen drijfveren in de mens. Het lijkt erop of John le Carré dat uit de weg
is gegaan. Alsof hij is teruggedeinsd voor iets dat voor de hand lag. Vreemd
genoeg krijgt het slot daardoor iets onbevredigends. Na zoveel onzinnig,
grotesk gedrag lijkt een terugkeer naar een zekere rede niet voor de hand te
liggen.

Het blijft de vraag wat John le Carré met het boek heeft
willen uitbeelden. Wellicht de vraag naar de zin van het leven, die de
burgerman minder te zeggen heeft, maar de gemankeerde kunstenaar zoveel te
meer.



Nostalgie

Literatuur Posted on Sun, September 11, 2016 16:36:09

HOTEL VAN DER WERFF

Hotel Van der Werff op Schiermonnikoog is een begrip. Van
een goede vriend kreeg ik daarover de
volgende informatie. Jan Fischer, hij studeerde van 1962-1965 economie aan de
R.U. te Groningen, kocht het in 1982 van de erfgenamen van “Juffrouw Dien” voor
1,3 miljoen gulden, zij had het in 1955 overgenomen van Sake van der Werff. Onder
het motto ”vernieuwing is een gebrek aan zelfbeheersing” probeerde Fischer het
hotel te behouden of de tijd had
stilgestaan.
Hoewel dit jaar de prijs van een kopje koffie verhoogd is van 0,60
cent naar 0,80 cent. Jan Fischer was altijd gekleed in zijn eeuwige blauwe pak.
Toen in 1981 juffrouw Dien overleed, die haar hele leven vrijgezel was gebleven,
is er een comité van Verontruste Hotelklanten, onder leiding van Willem
Duisenberg, in het leven geroepen. Er werd een obligatielening van 300.000
gulden uitgeschreven, waarvan de renteopbrengsten alleen in het hotel kon worden besteed. Jan Fischer ging het kopen, hij
trouwde en kreeg twee kinderen, Rob en Charlotte. Tien jaar later pakte zijn
echtgenote de bus naar de boot en verdween. Op vakantie ging Jan nooit. Eén
keer per jaar stak hij de weg over en ging hij zijn grote concurrent Andre
Zandt van Graaf Bernstorff gelukkig Nieuwjaar wensen. Ook de gebroeders Ankers (bekende
advocaten in Nederland) sliepen altijd in dezelfde kamer in het hotel. Jan
Blauwpak was een man van weinig woorden, zei Anker. Goedemorgen, dat was het
enige was hij tegen me zei. Heel soms als ik geluk had, zei hij welterusten. Met
die zwijgzaamheid plaagden de gebroeders Ankers hem soms: zei je wat, Jan? Wibo
van de Linde, journalist en tv maker kon zich eraan storen dat van Fischer een
karikatuur werd gemaakt. Volgens Wibo was Jan een erudiete man. Op 3 september
2014 overleed Jan Fischer op 74-jarige leeftijd. Hij wilde worden opgebaard op
zijn geliefde biljart, in de gelagkamer en uiteraard werd zijn laatste opdracht
uitgevoerd. Hij werd begraven naast Sake van der Werff.

Tot zover het relaas van mijn vriend.

Zelf herinner ik mij Hotel Van der Werff onder het toeziend oog van
juffrouw Dien met een heel bijzondere sfeer. In de gelagkamer kon een koor
spontaan in gezang uitbarsten. Ik heb er de uitgever Thieme uit Zutphen ontmoet,
die op Schiermonnikoog zijn vogelboeken kwam verkopen. Waarschijnlijk was hij
de grootvader van Marianne Thieme, lid van de Tweede Kamer voor het welzijn der
dieren. Ook herinner ik mij het bezoek aan de beeldhouwer Van Waning, tachtig
jaar oud die op het eiland een afgezonderd leven leidde.

Na de overname door Jan Fischer veranderde misschien niet het interieur,
maar wel dat hij als man op de achtergrond, niet in blauw pak maar in trui en manchesterbroek,
in een achterkamertje de genuttigde verteringen bijhield en voor de
vertrekkende gasten minutieus de rekeningen opmaakte. De bedden waren
doorgezakt en het slechte slapen probeerde je te verdrijven met Beerenburg in
de gelagkamer. De schrijfster Doeschka Meijsingh schijnt ooit kond gedaan te
hebben van de gehaktbal die daar in het etablissement verkeerd was gevallen. Liefhebbers
van Beerenburg hebben daar geen last van. Voor hen blijft Hotel Van der Werff het
toevluchtsoord voor amateur strandjutters met het verlangen naar het ruige
leven, dat Hotel Van der Werff ziet opduiken als het walhalla waar wederom
Beerenburg de pijn verzacht en de toekomst niet verder gaat dan het wachten op
de bus naar de boot, die zoals mij is verteld door de vrouw van Jan Fischer
werd versmaad bij haar laatste vertrek. Jan Fischer schermde graag met
belangrijke gasten, zoals Jan Terlouw die met zijn familie het hotel eer had
aangedaan.

De tijd van Sake Van der Werff en later juffrouw Dien is
voorbij, toen het zich kon vergelijken met een etablissement als De Rustende
Jager in Bergen Binnen, waar de weemoed het hoogste woord had en ketsende
biljartballen dat alleen maar konden onderstrepen.

Met Jan Fischer werd de weemoed een handelsobject, hij
was per slot van rekening econoom. Ook Willem Duisenberg zal daar aan hebben
bijgedragen, die ik mij kan herinneren in een geheel ander etablissement,
namelijk in de kleine besloten societeit Het Jagertje in Den Haag waar hij zich
liet fêteren door de onroerend goed makelaar Zadelhof en Duisenberg daar zo
onder de indruk van moet zijn geweest dat hij bij het afscheid van de ABNAMRO
bankier Hazelhoff in het Concertgebouw de laatste toesprak met ‘Beste Zadelhof’
en de haastige verbetering niet veel meer kon goedmaken.

Ik zou opnieuw naar Hotel Van der Werff willen gaan om er
ver afgezonderd een verhaal te schrijven, bezield door herinneringen aan
vroeger. Ik vrees echter dat zoiets niet meer mogelijk is. Ik hoor nu al in de
gelagkamer de stamgasten in de weer met hun I-phones en Smart-phones, die
belangrijker worden gevonden dan de rust waarmee het hotel wordt uitgevent.

De tijd van vroeger zal nimmer keer weerom.



« PreviousNext »